Reservoir Dogs

Er zijn maar weinig regisseurs wiens naam zo snel een
bijvoeglijk naamwoord zijn geworden als Quentin Tarantino. Al na
zijn debuut, ‘Reservoir Dogs’, werd de term “Taratinesk” lustig in
het rond gestrooid, allicht omdat veel mensen – gewone kijkers zo
goed als critici – zo verrast waren door zijn schijnbaar geheel
originele stijl, dat ze niet wisten welke andere term ze zouden
moeten gebruiken om ‘m te beschrijven. “Postmodern” en
“zelfreferentieel” waren ook populaire woorden (ze zijn sindsdien
dan ook vaste stokpaardjes geworden waar elke recensent zich aan
kan vasthouden als was het aan een reddingsboei), maar helemaal
dekten ze de lading toch niet. Een Tarantinofilm was gewoon…
Tarantinesk. En daarmee uit. Als je iets kritischer
tegenover de man en zijn stijl staat, zou je ook kunnen
argumenteren dat “autistisch” een goed woord is. De cinema van
Tarantino onderscheidde zich omdat ze nauwelijks nog aan de
werkelijkheid refereerde – alleen nog aan andere films. Dat was aan
het begin van de jaren negentig misschien niet helemaal een nieuw
gegeven, maar het was wél erg zeldzaam, en absoluut nog geen deel
van de mainstream. Normale films imiteerden de
werkelijkheid, zo goed als ze konden. En plots was daar Tarantino,
die de werkelijkheid helemaal niet wilde imiteren, ben je gek. Hij
imiteerde andere films.

De meeste mensen wisten met ‘Reservoir Dogs’ niet goed wat ze
zagen, maar ze wisten wel dat het zo hip als de neten was en dat ze
maar beter mee op de kar konden springen. Gevolg: een adoratie voor
de regisseur die nu nog steeds niet helemaal is uitgestorven en een
reeks jonge regisseurs die Tarantino blindelings achterna liep.
Zonder al te veel succes, overigens: buiten Robert Rodriguez moet
ik de eerste “Tarantineske’ (voilà, daar gaat-ie dan, ik heb de
term gebruikt) regisseur nog tegenkomen die op zichzelf iets
waardevols heeft gepresteerd.

In ieder geval, dat hele verhaal begon dus met ‘Reservoir Dogs’,
waarschijnlijk nog steeds ’s mans beste film: een razend spannende
thriller, die qua plot notoir gebaseerd is op de Hong Kongse
actiefilm ‘City on Fire’ met Chow Yun-Fat (één van de vele films
die Tarantino in z’n roemruchte videotheekcarrière heeft gezien).
Een zevental professionele criminelen, die elkaar nooit eerder
hebben gezien en ook elkaars naam niet kennen (ze spreken elkaar
aan met kleuren, Mr White, Mr Orange enz.), wordt samengebracht
voor een juwelenroof. De overval zelf krijgen we pas aan het einde
van de film (gedeeltelijk) te zien, maar het is meteen duidelijk
dat het fout afloopt: enkelen van hen halen het helemaal niet, de
anderen komen één voor één aan op de ontmoetingsplaats achteraf. Mr
Orange (Tim Roth) is zwaargewond en ligt de hele film lang bloedend
op de grond. De situatie is duidelijk: er is een verrader onder
hen. Iemand heeft de politie verwittigd en van de overval een ramp
gemaakt. Maar wie? En wie heeft de juwelen? In de verlaten loods
waar ze hadden afgesproken, wachten de overvallers af – iedereen
wantrouwt iedereen, iedereen is in paniek.

Wat dan volgt, is een claustrofobische thriller, duidelijk
gemaakt volgens het principe: hoe goedkoper we het kunnen maken,
hoe beter. De personages lopen anderhalf uur lang rond door een
quasi-lege setting en praten – dat is negentig procent van de film.
Wanneer er dan toch geweld plaatsvindt, wordt dat veel vaker
gesuggereerd dan dat het wordt getoond. Let op de meest beruchte
scène in de film: de Stuck in the Middle With
You-
martelscène. Een flik zit aan een stoel vastgebonden,
terwijl de meest sadistische gangster van de hele bende, Mr Blonde
(Michael Madsen), zijn oor afsnijdt met een scheermes. De camera
zwenkt veelbetekenend weg en we zien helemaal niets, behalve dan Mr
Blonde die achteraf met dat oor in zijn handen het shot weer
binnenwandelt. Dat is dan budgetfilmen. Maar Tarantino werkt zo
goed naar dat moment toe, door Mr Blonde eerst een geïmproviseerd
dansje te laten doen op de muziek die er speelt, dat je verbeelding
de rest invult. Heel wat mensen vonden dat een gruwelijke scène,
hoewel het dat strikt genomen niet is.

Wat het meest verrassend was toen ‘Reservoir Dogs’ uitkwam, was
de toon van de dialogen. De personages van deze film hadden het in
eerste instantie niet over de plot – in de eerste scène zaten ze
allemaal rond een tafel om over Madonna en de etiquette van het
fooi-geven te lullen. Het was in deze scène dat Tarantino de regels
van zijn filmuniversum vastlegde: alles verwees wel ergens anders
naar. De popcultuur domineerde het leven van zijn personages net
zoals het dat van maar al te veel mensen domineert. Alles is
gestileerd; niet alleen de übercoole dialogen, maar zelfs de
kostuums die de acteurs dragen (de zwart-witte pakjes met dunne
dassen waren een tijdlang het summum van coolness, en als
er gerechtigheid was in de wereld, dan zouden ze dat nu nog steeds
zijn). Net als alle films van Tarantino, speelt ‘Reservoir
Dogs’ zich af in een parallel universum dat zwaar beïnvloed is door
videotheken, stripwinkels en andere tempels van cultuur voor mensen
die zelden of nooit boeken zonder plaatjes lezen.

Dat postmodern jasje waarin alles cool en hip moet zijn, zorgt
ervoor dat de cinema van Tarantino altijd en onvermijdelijk
oppervlakkig zal blijven (of hij moest ineens iets heel anders
beginnen doen, maar dan is het natuurlijk geen Tarantinocinema meer
zoals we die nu kennen). Hoe kun je ook ooit iets met diepgang
produceren als je je niet of nauwelijks met de werkelijkheid
bezighoudt? Maar goed, wat ‘Reservoir Dogs’ mist aan diepgang,
compenseert de film moeiteloos met pure lef en schwung op
een moment dat de Amerikaanse onafhankelijke cinema die dingen
broodnodig had. Tarantino was een regisseur die graag
filmde, die films maakte vanuit zijn liefde voor het medium en geen
andere reden nodig had. En dat merk je: hij is gefascineerd in het
creëren van spanning (kijk nog maar eens naar die oorscène, je kunt
er niet genoeg naar kijken, hup!), hij houdt ervan om dialogen te
schrijven die niet écht zijn, maar beter dan echt: ze zijn clever.
Al de machinaties van het filmmaken boeien hem eindeloos en hij
amuseert zich ermee als een kind in een speelgoedwinkel. ‘Reservoir
Dogs’ is een film óver filmmaken. Vergelijk dat met de bloedeloze
dingen (letterlijk én figuurlijk) die op dat moment uit Amerika
kwamen. Je had de mainstream, die was wat hij altijd
geweest is en zowel goede als slechte dingen produceerde, en in de
independent sfeer had je vooral veel loodzware, lelijk
gefilmde tragedies die erop bezien waren om je zo gedeprimeerd
mogelijk de straat weer op te sturen (in België zien we dat soort
films schijnbaar nog steeds graag, gelet op hoeveel er gemaakt
worden). Tarantino en de zijnen brachten heel de boel weer tot
leven met energieke, in your face-cinema die nergens over
ging, maar die verdorie onderhoudend, spannend, hip en grappig
was.

Verwijzingen zijn er onder andere naar Martin Scorsese (de
gangsterpersonages, het geweld) en ‘The Taking of Pelham One Two
Three’ (de kleurennamen voor de personages). Scorsese was overigens
ook een invloed in het cameragebruik – net als in sommige films van
zijne Gewenkbrauwdheid, heeft de lens hier immers een eigen leven,
en wordt hij regelmatig gebruikt om een subjectieve draai te geven
aan de gebeurtenissen. Ja hoor, daar zijn we weer met die oorscène:
door de camera weg te draaien op een cruciaal moment breekt
Tarantino de beruchte “vierde muur”: het is bijna alsof de camera
zelf het geweld niet kan verdragen en z’n blik afwendt. Bij
Tarantino leeft nu eenmaal alles, zelfs het materiaal.

Maar weinig films waren zo bepalend voor een decennium als
‘Reservoir Dogs’ voor de jaren negentig, met talloze imitaties en
zelfs een heel nieuw referentiekader om over film te praten als
gevolg. Het is een meesterwerk, ja, zij het dan een oppervlakkig
meesterwerk. Maar goed, als je maar genoeg kloten hebt, is dat
voldoende.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien − 16 =