Berlin Alexanderplatz




Samen met roemruchte kleppers zoals ‘Ulysses’ van James Joyce en
‘De Naam van de Roos’ van Umberto Eco, is Alfred Döblins roman
‘Berlin Alexanderplatz’ uit 1929, één van die boeken die heel wat
mensen in hun kast hebben staan zonder hem ooit gelezen te hebben.
Een vuistdik, modernistisch werk dat boordevol zit met filosofische
beschouwingen, onderbrekingen door de verteller en zogenaamde
“collages”, waarin een soms moeilijk te volgen indruk wordt gegeven
van het Berlijnse stadsleven. Gevolg: zo tegen bladzijde vijftig
geven de meeste mensen het op. Zoiets verfilmen is eigenlijk een
hopeloze onderneming, maar toch werd het twee keer gedaan: een
eerste keer in 1931, met een script van de romanschrijver zelf, en
een tweede keer in 1980, door regisseur, kitschliefhebber en
relnicht Rainer Werner Fassbinder. Voor de WDR maakte hij een
epische tv-bewerking van dertien afleveringen, plus een twee uur
durende epiloog (totale speelduur: ruim 15 uur, dus neem gerust een
paar dagen vakantie), die de complexiteiten van het boek frontaal
te lijf ging. Veelgelaagd, soms tergend traag, altijd moeilijk en
uitdagend, maakte Fassbinder van zijn ‘Berlin Alexanderplatz’ een
film als de Mount Everest – moeilijk te overwinnen, maar het zicht
als je uiteindelijk boven bent gekomen, is indrukwekkend.

Het verhaal draait rond Franz Biberkopf (Günter Lamprecht), die
in 1928 uit de gevangenis wordt vrijgelaten, nadat hij vier jaar
heeft vastgezeten wegens doodslag op zijn vriendin. Hij neemt
zichzelf voor om op het rechte pad te blijven, maar de wereld
waarin hij terecht komt, lijkt vastbesloten om hem terug te zuigen
in de criminaliteit die hij wil vermijden. Nadat hij zijn
aanvankelijke pleinvrees (want wat zijn die gebouwen plotseling
hoog en intimiderend) heeft overwonnen, gaat hij aan het werk als
verkoper. Hij wil normaal zijn, een “nette persoon”, maar in het
Berlijn van Alfred Döblin is er geen plaats voor nette personen.
Biberkopf wordt keer op keer bedrogen; hij komt terecht in de
dievenbende van gangster Pums, draait mee in het vrouwenhandeltje
van schurk Reinhold (Gottfried John) en ontpopt zich zelfs tot
pooier. Maar in dat alles blijft hij een willoze marionet, iemand
die continu naar andermans pijpen danst en er zich niet eens van
bewust lijkt. Zelfs wanneer hij de ware liefde denkt te vinden bij
Mieze (Barbara Sukowa), is dat geluk geen lang leven beschoren.

De plot laat zich moeilijk samenvatten – het echte
hoofdpersonage uit het boek is immers niet zozeer Franz Biberkopf,
als wel Berlijn anno 1928, een uit elkaar vallende stad in een uit
elkaar vallend land. Bijgevolg is de structuur erg fragmentarisch
(zeker tijdens de eerste vier afleveringen van de serie): Biberkopf
ontmoet verschillende mensen, doet verschillende jobs, komt in
verschillende milieus terecht en zo krijgen we een caleidoscopisch
portret van die stad en de mensen die er doelloos in rondlummelen.
Pas vanaf aflevering 5, wanneer vrouwengek Reinhold erbij komt,
wordt de structuur iets strakker, met personages die langer meegaan
en verzeild raken in meer traditionele intriges. Maar ‘Berlin
Alexanderplatz’ blijft een typevoorbeeld van modernisme: de
depressie na de Eerste Wereldoorlog zorgde ervoor dat individuen
verloren liepen in een erg gefragmenteerde wereld, die niemand echt
snapte en waar niemand z’n weg in wist. Leopold Bloom had last van
die vervreemding in ‘Ulysses’, en reken maar dat Franz Biberkopf er
de gevolgen van voelt. Hij is een man die terugkeert in een
imploderende maatschappij, vol criminelen, economische depressie en
politieke troubles, en op zoek gaat naar zijn plaats daarin. Zijn
ambities en visie op geluk zijn burgerlijk: hij wil het rechte pad
op gaan, met een vrouw, job en veel drank, en zo gelukkig worden;
hij zingt zijn voornemen aan het begin van de film letterlijk uit
door ‘Die Wart am Rhein’ te kwelen, een ultiem teken van
conformisme aan alles wat traditioneel en ouderwets Duits is. Maar
hij ontdekt dat het Duitsland uit zijn fantasie of herinnering niet
meer bestaat. Alles is corrupt – prostitutie, drank, diefstal, noem
maar op. In deze metropool wordt hij meegesleurd en vindt hij
zichzelf een aantal keer opnieuw uit, in een poging toch een plekje
voor zichzelf te vinden – als krantenleurder, pooier en uitkijk
voor dieven. Maar telkens loopt het slecht af. Hij praat en loopt
anderen achterna, en als beloning wordt hij bedrogen en
uitgebuit.

Dat thema is eigen aan Fassbinder: veel van zijn films gingen
over de manier waarop emoties misbruikt worden door anderen. Degene
die het meeste voelt, is degene die het meest verliest. In het
geval van ‘Berlin Alexanderplatz’ is de voornaamste antagonist
Reinhold, de vrouwenverleider die Biberkopf opnieuw de onderwereld
inlokt. Met zijn lichte stotter en zijn schichtige manier van doen
geeft hij een verraderlijk kwetsbare indruk – hij doet zich voor
als een slachtoffer van zijn eigen emoties en neuroses – maar hij
is het wel die Biberkopf in zijn ongeluk stort. Fassbinder maakt
van Biberkopf en Reinhold eigenlijk lichte en duistere versies van
dezelfde persoonlijkheid – net zoals het Berlijn van eind jaren
twintig fragmenteert en uit elkaar valt, gebeurt hetzelfde met de
personages: ze zijn allemaal uitwassen van hun tijd, allemaal
symptomen van die post-WO I-ziekte. Biberkopf is de zwakkeling, het
slachtoffer dat zich laat misbruiken en zich in alcoholisme stort
om ermee om te gaan. Reinhold is de opportunist die misschien
liever geen opportunist zou zijn, en ook de andere personages
vertegenwoordigen een aspect van hun tijd en omgeving.

Dat alles wordt door Fassbinder in een meeslepend drama gegoten,
dat aanvankelijk erg academisch overkomt, maar zeker vanaf de
introductie van Reinhold een sterk eigen leven gaat leiden. Het
boek was zo’n everything and the kitchen sink-roman, met
lange beschrijvingen en eindeloze details, en de film gaat op
dezelfde manier te werk. Fassbinder werkt haast continu met lange
takes, meestal panoramashots, zodat heelder scènes met eindeloze
brokken tekst in één keer worden uitgespeeld, bijna als een kort
toneelstukje (Fassbinder kwam dan ook uit het theater). Close-ups
zijn relatief zeldzaam. Dialogen duren veel langer dan in de
doorsnee film, maar anderzijds is de regisseur ook niet bang van
lange stiltes. Fassbinder gebruikt zijn 15 uren om zwaar in de
diepte te werken: dit is een drama met ruimte voor filosofie,
politiek, seksualiteit, psychologie en veel bier en
Schnapps. Dat het toch voortdurend boeiend blijft, heeft
te maken met de zorgvuldige spanningsopbouw van de regisseur –
Fassbinder speelt in op de onvoorspelbaarheid van Biberkopf (soms
mak, dan weer gewelddadig, soms depressief, dan weer uitzinnig) om
zijn verhaal draagkracht mee te geven. En er zijn natuurlijk de
acteurs: Günter Lamprecht levert een grootse prestatie als
Biberkopf. Zijn scènes zijn lang niet altijd naturalistisch (met
voor zichzelf uit geprevelde monologen en filosofische
beschouwingen), en de emoties waar hij naar moet grijpen, zijn maar
al te vaak verslagenheid en vernedering, maar Lamprecht weet steeds
een zeker respect voor het personage te bewaren en valt nooit ook
maar een seconde uit zijn rol. Gottfried John vult perfect aan als
Reinhold, een smeerlap waar je bijna medelijden mee zou
krijgen.

Blijft er nog de epiloog, waarin Fassbinder plotseling twee uur
lang volop in het surrealisme duikt. Waar de film tot nu toe
realistisch van toon was, krijgen we ineens engelen in een blinkend
harnas en een stapel naakte lichamen die op een hoop in een
abattoir liggen – Jan Fabre en Jan Decorte zouden er fier op zijn.
Het hoofdpersonage is (tijdelijk of niet) weggegleden in waanzin.
In zijn hallucinaties komt hij alle sleutelpersonages uit zijn
leven opnieuw tegen, en op die manier maakt hij zijn eigen proces
op. Is hij enkel een onschuldig slachtoffer geweest van mensen die
hem uitbuitten, of had hij beter moeten weten? Biberkopf berecht
zichzelf, executeert zichzelf en wordt daarna symbolisch opnieuw
geboren. Een nieuwe Biberkopf, die wél past in het Berlijn uit het
modernisme.

Na 13 uur lang een overtuigend, zij het loodzwaar drama te
hebben gezien, is die plotse draai van 180 graden naar
psychedelisch surrealisme moeilijk te slikken, hoewel de beelden
die Fassbinder gebruikt ontegensprekelijk uniek en fascinerend
zijn. De karakterstudie, die al zolang van buitenaf gebeurt, wordt
nu ineens naar binnen gekeerd, met schrikwekkende gevolgen. De
epiloog van ‘Berlin Alexanderplatz’ is zonder meer het meest
controversiële deel van de film – of je vindt er niks aan, of je
vindt het het beste dat erin zit. Persoonlijk blijf ik ergens
hangen bij een afstandelijk gevoel van respect. Fassbinders
bedoelingen en creativiteit zijn lovenswaardig, maar na een half
uur had ik er genoeg van.

‘Berlin Alexanderplatz’ is een monumentaal werk, dat iedereen
ooit in zijn leven gezien moet hebben – liefst als je goed
uitgerust bent en er genoeg tijd voor kunt uitrekken. Het is
moeilijk, soms haast onvermijdelijk pretentieus en achteraf ben je
doodop, maar je wéét verdorie dat je een film hebt gezien.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in