Venus




95

Het is akelig hoe de filmwereld klaar lijkt te staan om afscheid
te nemen van Peter O’Toole. Een tweetal jaar geleden gaven ze de
man alvast een ere-oscar voor zijn hele carrière, wat min of meer
het filmische equivalent is van een begrafenisondernemer die de
maten komt opnemen voor je doodskist – “we zullen je dit alvast in
handen stoppen, voor het geval je morgen dood neervalt, dan heb je
toch iéts.” Toen bleek dat O’Toole nog een jaartje van plan was
verder te tikken, nomineerden ze hem opnieuw voor een gewone oscar
voor zijn rol in deze ‘Venus’ en werd er in zowat elke recensie
geschreven dat dit waarschijnlijk “de laatste rol zou zijn van dit
kaliber die O’Toole ooit zou spelen”. Nou. Hij verloor de oscar
trouwens aan Forest Whitaker voor ‘The Last King of
Scotland’
, de achtste keer dat hij de prijs door een ander zag
afhalen. In ieder geval, heel wat mensen lijken te zitten aftellen
naar het moment dat ze O’Toole’s in memoriam kunnen opstellen.
‘Venus’ zou geen slecht eindpunt zijn, mocht het daartoe komen.

De plot draait rond Maurice (O’Toole) en Ian (Leslie Phillips),
twee acteurs op leeftijd, die vroeger schijnbaar erg populair
waren, maar tegenwoordig hun dagen slijten met het uittellen van
hun pillen en het ondergaan van extreem oncomfortabele
prostaatonderzoeken. Nu ze in de zeventig zijn, zijn ze
uitgerangeerd, irrelevant geworden voor een wereld van jonge mensen
die niet meer in theater geïnteresseerd zijn, naar muziek luisteren
die zij niet kennen en drankjes drinken waar ze nog nooit van
gehoord hebben (breezers, wàt?). Maurice voelt echter zijn stokoude
schuur smeulen wanneer hij kennis maakt met Jessie (Jodie
Whittaker), de twintigjarige achternicht van Ian. Jessie heeft geen
greintje cultuur in haar lijf zitten, en lijkt buiten het vreten
van instantnoedels louter de ambitie te hebben om fotomodel te
worden. Waar Maurice en Ian op een podium stonden om iets creatief
waardevols te presteren, wil Jessie gewoon op een podium staan.
Toch voelt Maurice iets tintelen zijn lichaam dat al lang niet meer
getinteld heeft, en langzaam maar zeker ontwikkelt er zich een
vreemde relatie tussen de twee.

Regisseur Roger Michell en scenarist Hanif Kureishi (die eerder
al samen ‘The
Mother’
maakten), hebben hier eigenlijk een verhandeling
gemaakt over een thema dat gegarandeerd negentig procent van het
volk buiten zal houden: ouder worden. En dan niet zomaar ouder
worden in de zin van een vijftigjarige die een Porsche koopt omdat
hij potentieproblemen begint te krijgen, neenee, ouder worden in de
zin van “je dood voelen naderen”. De makers schetsen een pijnlijk
geloofwaardig portret van overbodig geworden acteurs: af en toe
heeft Maurice nog eens een rolletje in een film, meestal als
stervende patriarch wiens hele bijdrage zich afspeelt op een
ziekenhuisbed. Na één dag werk krijgt hij dan in cash uitbetaald en
wég is hij. Niemand interesseert zich nog voor hem en zijn leven
wordt gereduceerd tot een steeds vernederender rijtje rituelen:
pillen slikken, geprikt en gepord worden door dokters, moeizaam
ademen, moeten accepteren dat je seksueel niets meer kan, en ga zo
maar door. Hij bedient zich dan ook van een bijtend gevoel voor
humor om de moed niet te verliezen – O’Toole krijgt een resem
heerlijk spitse, cynische one-liners te zeggen, zoals: “Ik
heb 20 pond en één afgeknipte teennagel op zak!” De humor in
‘Venus’ is trouwens over het algemeen erg geslaagd – de makers
vinden perfect een evenwicht tussen bitterheid en toch het vermogen
tot zelfrelativering. De personages hier beseffen van zichzelf dat
alles hen door de vingers aan het glippen is, en omdat huilen nu
eenmaal niet past bij oude mannen, keren ze zich maar tot
cynisme.

De relatie tussen Maurice en Jessie wordt al even pijnlijk
eerlijk in kaart gebracht: Maurice ziet een aantrekkelijk jong
meisje en hij wil haar, zo simpel is het. Zijn leeftijd en
prostaatproblemen staan echt seksueel contact in de weg, en dus
lost Maurice het anders op. Hij maakt van haar zijn muze en
gebruikt zowat al zijn zintuigen om van haar te kunnen genieten:
hij krijgt haar zover dat hij haar nek mag ruiken en schouder mag
kussen, hij streelt haar handen en laat de zijne door haar haar
glijden. Bij gebrek aan echte seks houdt hij het bij kleine
aanrakingen, kleine momentjes van sensualiteit, en die moeten dan
maar volstaan om zijn dik zeventigjarige fantasie te voeden.

Erg romantisch is de film niet over die relatie: uiteindelijk
gebruikt Maurice Jessie als lustobject. En omgekeerd buit Jessie de
situatie uit om dingen van hem gedaan te krijgen – hij bezorgt haar
een job als model voor een schilderatelier en koopt regelmatig
spullen voor haar. Hun relatie is er één van wederzijdse
uitbuiting, waar dan op den duur toch reële affectie in
binnensluipt, min of meer zoals Henry Higgins in ‘My Fair Lady’
uiteindelijk, ondanks zichzelf, verliefd wordt op Eliza
Doolittle.

Zoals dat hoort bij een film rond dat soort thema’s, is ‘Venus’
een relatief trage film. De visuele stijl is sober, met een koude,
kille belichting die lange winternamiddagen suggereert. Zo van die
dagen waarop de tijd lijkt stil te staan en je niets anders te doen
hebt dan uit een venster te staren naar een grijze lucht waar
absoluut geen beweging in zit. Die sfeer hangt over de hele film,
en wordt erg effectief weergegeven. Ondanks dat trage ritme,
vervalt de prent nergens in langdradigheid, voornamelijk vanwege de
energie van de acteurs. O’Toole was dan wel 73 op het moment van
filmen, maar wanneer hij wil, kan hij nog steeds een krachtige
aanwezigheid vormen: tegen het einde geeft hij een jongen van voor
in de twintig een oplawaai die (letterlijk) pijnlijk overtuigend
aankomt. Jodie Whittaker staat dan wel gedeeltelijk in de schaduw
van O’Toole, maar het zou doodzonde zijn haar prestatie te
vergeten: zonder Jessie sympathieker te willen maken dan ze is,
weet ze toch enorm veel menselijkheid in die rol te gieten.

De laatste twintig minuten zijn wat al te sentimenteel: de
conclusie van de film is voor de hand liggend, wat op zichzelf nog
niet zo erg is, maar de uitvoering ervan leunt veel te dicht aan
bij de doorsnee Amerikaanse tranentrekker om gezond te wezen.
Bovendien wordt er in extremis nog een extra personage bijgesleurd
(het vriendje van Jessie), die maar weinig in het verhaal te zoeken
heeft. ‘Venus’ is in principe een quatre-mains tussen
Maurice en Jessie; het gaat over hun relatie, met Ian erbij als
komische sidekick voor Maurice. Daar plots een slechterik
aan gaan toevoegen is simpelweg overbodig.

Maar goed, da’s dan weer een schandvlek die weinig voorstelt
tegenover de kwaliteiten die ‘Venus’ te bieden heeft. Want dit is
en blijft een intelligent, smaakvol uitgevoerd en uitstekend
geacteerd drama over oude mensen die zonder illusies naar de dood
uitkijken. Niet wat je noemt blockbuster-voer – en
gelukkig maar.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in