Daniel Johnston :: Yip Jump Music (1983)

Daniel Johnston is zot. Compleet geschift. Wacko. Laat dat duidelijk zijn. En bovendien kan hij niét zingen. En zoals hij piano of gitaar speelt, kan een kind het ook. Maar de man maakt, net als dat andere kierewiete genie waar hij ad nauseam mee wordt vergeleken, Brian Wilson, wondermooie muziek.

Het leven van de nu 46-jarige Johnston, opgegroeid in een streng katholiek gezin in de Amerikaanse Bible Belt, wordt beheerst door twee dingen: zijn paranoïde angst voor de Duivel, en zijn obsessieve visie op De Vrouw. Zijn ziekte — Johnston is manisch-depressief — bepaalt uiteraard zijn hele dagelijkse leven. Zoals dat gaat bij manisch-depressieve patiënten wisselen langdurige periodes van wanhoop en euforische uitbarstingen van extase elkaar af.

In zijn tienerjaren werd hij bovendien tot over zijn oren verliefd op Laurie, die — u voelt het al komen — hem radicaal afwees. Big Dan ziet hierin echter nog meer een reden om de onbereikbare Laurie op een torenhoge piëdestal te plaatsen, en bombardeert haar prompt tot zijn hoogstpersoonlijke Muze.

Al vanaf zijn tijd op de middelbare school had Johnston maar één doel voor ogen: beroemd worden. En daar zou hij alle moeite van de wereld voor doen. Als een bezetene begon hij in zijn kamer, die hij tot kunstenaarsatelier had omgedoopt, nummers te schrijven en eigenhandig op een aftandse bandrecorder te op te nemen. Hij nam ze bij momenten zelfs op met verschillende snelheden, waardoor het lijkt alsof er iets mis is met de cassettes. De ingebouwde microfoon van de goedkope cassetterecorder neemt veel achtergrondgeluid op en zorgt voor veel ruis. Johnston speelt op een oude piano, of op een valse gitaar.

Hij is technisch geen grootse muzikant, maar de zeggingskracht van zijn songs is verbluffend. Zijn muziek kan bestempeld worden als lo-fi, het opnemen van muziek in een lagere technische kwaliteit dan mogelijk is, vaak uit financiële, maar meestal uit ideologische redenen. Als reactie op overgeproducete platen, wordt aan het zogenaamde home-taping een aura van authenticiteit en puurheid toegemeten. Illustere voorgangers als Hank Williams en Bob Dylan (The Basement Tapes uit ’75) maakten van deze opnametechniek gebruik, en tegen begin jaren negentig werd lo-fi opnieuw erg populair. Door de komst van de relatief goedkope 4-sporen cassetterecorders werd het voor veel muzikanten plots mogelijk om gewoon thuis in plaats van in een dure studio muziek vast te leggen. Artiesten als Guided By Voices, Half Japanese, Beck en Pavement namen hun platen, in volle grunge-periode, bewust op als waren het bootlegs.

In de zomer van 1983 (“Every Breath You Take” en “Billie Jean” stonden dat jaar wekenlang op 1 in alle hitlijsten), nam Daniel Johnston in de garage van zijn broer Yip Jump Music op. Zijn vijfde home-made tape bevat twintig minimalistische, breekbare songs over erg uiteenlopende onderwerpen, gaande van King Kong over de Beatles tot Casper, Het Vriendelijke Spook.

De opnamekwaliteit is van een behoorlijk krakkemikkig allooi (tussen de nummers door is bijvoorbeeld duidelijk te horen wanneer de stop/start-toets werd ingedrukt), achtergrondgeluiden werden gewoon mee opgenomen (zo horen we op “Rocket Ship” Johnstons neefje Uncle Dan aankondigen), en bovendien zingt of speelt Johnston er hier en daar ferm naast. Maar ondanks al deze rauwheid getuigt deze plaat van een adembenemende schoonheid. Zijn bij momenten bijna kinderlijk aandoende naïviteit, de pijnlijke eenvoud van de teksten (“Respect love of the heart over lust of the flesh”, of “I’m free/ free at last/ like a monkey out of his cage/ I’m a loner/I’m a sorry entertainer”, …), en bovenal zijn door merg en been gaande, krijsende falsetstem, laten de luisteraar verbijsterd achter.

Een greep uit het diverse aanbod ruwe parels: “The Beatles” (“Everybody wants to be like them/ Everybody wants to be The Beatles/ And I really wanted to be like him/ But he died”), een ode aan zijn muzikale voorbeelden, “Speeding Motorcycle” (dat hij later opnieuw opnam met Yo La Tengo), “Casper The Friendly Ghost” (dat in 1995 in zijn rauwe, ongepolijste versie op de soundtrack van de film “Kids” belandde), het hartverscheurende “Don’t Let The Sun Go Down On Your Grievances”, … Eén na één grote klasse.

Johnston begon vervolgens zijn zelf gekopieerde cassettes van Yip Jump Music of Hi, How Are You (dat hij later dat jaar opnam) aan jan en alleman uit te delen. Maar ook al was de respons doorgaans lovend, het grote publiek bleef achterwege.

Een verrassende wending kwam er echter enige tijd later, toen in 1992 ene Kurt Cobain op het podium van de MTV Awards verscheen in een T-shirt met als opdruk de hoes van Hi How Are You. Plots wilde iedereen alles weten over deze zonderlinge artiest. Johnston kreeg zelfs een heus platencontract bij een echte major, Atlantic, waarop hij Fun uitbracht. Het werd een kleine ramp. Johnston stond stijf van de medicijnen en was nauwelijks in staat de plaat in te spelen. De cd werd afgekraakt, en het werd opnieuw stil rond hem.

De laatste jaren is er echter sprake van een kleine Daniel Johnston-manie, met onder andere de bloedmooie dubbel-CD The Late Great Daniel Johnston, met covers door goed volk als Beck, Bright Eyes, Tom Waits en The Flaming Lips. In 2006 werd de pakkende documentaire The Devil And Daniel Johnston uitgebracht, waardoor de schare Daniel Johnston-fans opnieuw ging aanzwellen. Johnston is momenteel stabieler dan ooit, met dank aan zijn nieuwe medicijnen, en hij leeft intussen opnieuw bij zijn zorgzame ouders in het red-neck-stadje Waller, Texas.

Yip Jump Music kan nog steeds beschouwd worden als één van de belangrijkste lo-fi-platen aller tijden, van de hand van één van de grootste singer-songerwriters van de laatste decennia.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in