The Lower Depths




1957 was een druk jaartje voor sensei Akira Kurosawa.
Zijn ‘Macbeth’-bewerking ‘Throne of Blood’ was
nog maar nét in de zalen gekomen of hij begon alweer aan een andere
toneelbewerking, die nog voor het einde van dat jaar in roulatie
zou gaan: ‘The Lower Depths’, gebaseerd op het stuk van Maxim
Gorki. Die bewonderenswaardige ijver van Kurosawa heeft natuurlijk
alles te maken met zijn strenge werkethiek en zijn liefde voor de
cinema, maar ook een klein beetje met het feit dat hij een contract
had lopen bij de studio Toho dat hij zo snel mogelijk wou afwerken,
zodat hij daarna zijn onafhankelijkheid kon opeisen. ’t Is niet
omdat je toevallig een grootmeester van de film bent, dat je niet
graag geld verdient, tenslotte. Kurosawa’s twee projecten van dat
jaar vallen financieel overigens netjes onder te brengen bij zijn
grootste successen en zijn grootste flops: ‘Throne of Blood’ is één
van de klassiekers geworden waar mensen de regisseur al snel mee
identificeren (en terecht), terwijl ‘The Lower Depths’ ietwat de
vergetelheid insukkelde (niet terecht). En dat is jammer, want het
is wel één van z’n beste films.

We volgen een tiental mensen die zelfs niet meer aan de marge
van de maatschappij leven, maar al lang geleden buiten die marge
zijn gevallen. Een drankverslaafde acteur, een gokker die altijd
verliest, een prostituée, een pottenmaker met een terminaal zieke
vrouw, een dief, een samoerai die in oneer is gevallen en nog
enkele anderen wonen samen in een vervallen, smerig krot ergens op
de bodem van een afgrond. Boven die afgrond bevindt zich een
Boeddhistisch klooster, en het eerste shot van de film toont ons
hoe de monniken hun vuilnis naar beneden gooien, op het dak van het
krot waarin de marginalen leven.

Dit zijn mensen zonder geld, status, familie of vrienden, mensen
die eigenlijk niks meer hebben om nog op te hopen. De hele dag
hangen ze rond in dat krot – ze praten, lachen en drinken, en
dreigen daarbij nooit iets te ondernemen om uit hun miserie te
raken. De dief Sutekichi (Toshiro Mifune), heeft een flirt gehad
met huisbazin Osugi (Isuzu Yamada), maar is eigenlijk smoorverliefd
op haar zuster Okayo (Kyoko Kagawa). Wanneer Osugi het plan opvat
om de huisbaas te vermoorden, zodat ze nog lang en gelukkig kan
verderleven met Sutekichi, dreigt de situatie in het krot fataal
uit de hand te lopen.

Waar Kurosawa datzelfde jaar behoorlijk wat vrijheden nam met
‘Macbeth’ om er ‘Throne of Blood’ van te
maken, blijft hij opvallend trouw aan de opzet, de personages en
zelfs aan de dialogen van Gorki in ‘The Lower Depths’. Hij
verplaatst de actie wel naar het negentiende eeuwse Japan, maar
behoudt verder de kern van het sociaal-realistische toneelstuk.
Centraal staat een thema dat de regisseur nog vaak zou aansnijden:
het conflict tussen realiteit en illusie, tussen droom en
werkelijkheid. De sukkelaars waar het hier over gaat, zitten
letterlijk en figuurlijk in het diepste dal waar je maar kunt
verzeilen, de laagste diepten waar de titel over spreekt, maar
bijna allemaal hebben ze wel dromen om zich aan vast te houden. De
acteur pint zijn hoop vast aan een behandeling tegen drankzucht
waar hij ooit van heeft gehoord, het hoertje droomt van een ware
liefde, de dief loopt achter Okayo aan en ga zo maar door. Kurosawa
neemt een dubbelzinnige houding aan tegenover die illusies:
enerzijds zijn ze alles wat de personages hebben en zou het dus
misdadig zijn om ze dat af te pakken. Maar anderzijds werken die
dromen ook verlammend, omdat ze de marginalen ervan weerhouden om
effectief iets te ondernemen. Zolang je droomt, kom je immers niet
in beweging.

Er worden twee personages gebruikt om de beide extremen pro en
contra het leven in illusies te vertegenwoordigen. De gokker is de
enige die geen dromen lijkt nodig te hebben: wanneer de andere
personages zich verliezen in hun ideaalbeelden, is hij er altijd om
die te doorprikken met de harde werkelijkheid. Hij zet zich af
tegen het idee dat het leven ooit beter kan worden, onder het
motto: het leven is een hel, en we kunnen dat maar beter
aanvaarden. Daar tegenover staat de figuur van een Boeddhistische
priester die tijdelijk z’n intrek neemt in het krot. Hij observeert
de mensen en vanuit een al dan niet misplaatste goedheid begint hij
de illusies van de anderen te versterken. Hij zegt tegen de
stervende vrouw dat het paradijs op haar wacht, hij stelt de
prostituée gerust dat ze haar man echt wel kan krijgen als ze maar
hard genoeg probeert, en hij zegt de acteur dat hij zonder
problemen behandeld kan worden voor z’n drankzucht. Ergens tussen
die extremen van rationalisme en optimisme moet de mens die niks
heeft proberen om z’n leven te leiden.

Da’s een boeiende thematiek, die door Kurosawa in een
interessante stilistische vorm wordt gegoten. ‘The Lower Depths’
was toneel, en dat blijft het ook. De hele film speelt zich af op
één set: het krot en het pleintje daarbuiten. De regisseur filmde
de meeste shots met twee camera’s, zodat hij heelder scènes in één
keer kon laten uitspelen door de acteurs, en daarna kon monteren
tussen die twee hoeken. Sommige shots hier duren vijf minuten of
langer, en geven ons echt de indruk dat we naar een toneelstuk aan
het kijken zijn.

Kurosawa staat ervoor bekend dat hij tijdens de latere periode
van z’n carrière, vanaf de jaren zeventig, steeds meer een
statische camera gebruikte, met enorm lange shots, maar hier zie je
dat de kiem van die statische stijl al lang op voorhand aanwezig
was. Camerabewegingen zijn relatief zeldzaam en altijd zeer beperkt
wanneer ze dan toch plaatsvinden. Als de lens hier beweegt, dan mag
je zeker zijn dat er een goede reden voor is. De acteurs bewegen
zich door het kader, net zoals ze zich over het toneel zouden
bewegen zonder dat ons perspectief ervan verandert. Kurosawa filmt,
zoals altijd, in deep focus, waardoor zowel voor- als
achtergrond scherp in beeld zijn. Gekoppeld aan de statische camera
wil dat zeggen dat we als kijker zélf moeten beslissen naar wie we
kijken. Onze blik wordt niet specifiek geleid door de camera: we
krijgen de scène, zorgvuldig gechoreografeerd door Kurosawa, en we
moeten zelf maar weten hoe we onze ogen richten. Automatisch zou je
dan kijken naar de persoon die spreekt, maar ook hier speelt de
regisseur een slim spelletje met z’n publiek: het sprekende
personages is immers niet altijd te zien. Vaak is het personage dat
luistert en reageert veel prominenter aanwezig. Kort gezegd:
Kurosawa laat je werken voor z’n film. Hij construeert prachtig
uitgewerkte set pieces, met kadreringen om duimen en
vingers bij af te likken… Maar daarna laat hij je zelf de rest
doen, en waar je naar kijkt binnen dat kader is helemaal jouw
zaak.

De acteurs, bijna allemaal leden van Kurosawa’s vaste cast,
waaronder uiteraard Toshiro Mifune en Isuzu Yamada (die Mifune’s
kwaadaardige echtgenote speelde in ‘Throne of Blood’), zijn
perfect op elkaar ingespeeld. ‘The Lower Depths’ is één van
Kurosawa’s weinige ensemblefilms, en de acteerprestaties
harmoniëren op een prachtige manier, die de emoties van het stuk
echt voelbaar maken. Natuurlijk is het acteerwerk in een Japanse
film van die periode altijd enigszins gestileerd, maar eens je de
wereld van ‘The Lower Depths’ (en bij uitbreiding van de cinema van
Kurosawa) aanvaardt, zie je dat er hier ontzettend knappe dingen
worden gedaan.

‘The Lower Depths’ is één van Kurosawa’s absolute meesterwerken:
inhoudelijk veelgelaagd, stilistisch nagenoeg perfect en, wat nog
het belangrijkste is, ook emotioneel meeslepend. Het is dus door
dit soort van films dat ze Kurosawa een grootmeester zijn gaan
noemen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in