I Live in Fear




98 min. /
Japan / 1955

In het midden van de jaren vijftig begon Akira Kurosawa zich
stilaan te profileren als een succesvol regisseur van historische
films. ‘Rashomon’
en vooral ‘Seven
Samurai’
hadden het erg goed gedaan. Kort daarop zou ‘Throne of
Blood’ volgen en daarna het immens populaire ‘The Hidden Fortress’.
Het publiek had z’n weg gevonden en Kurosawa werd door hen steeds
meer in het vakje van samoerairegisseur gedwongen – wat hij niet
noodzakelijk erg vond, anders zou hij er niet zoveel zijn blijven
maken. Maar het werkte wel beperkend. Het gevolg daarvan was onder
andere dat wanneer hij meer eigentijdse drama’s probeerde te maken,
zoals deze ‘I Live in Fear’, hij vaak moeite had om een publiek te
vinden. Dit sombere, van een prangende post-nucleaire angst
doortrokken familiedrama werd één van Kurosawa’s grootste
commerciële flops. Nu heeft dat op zichzelf niet zoveel te
betekenen – zeker niet als je de film vijftig jaar na dato bekijkt
– maar wat erger is, is dat de prent ook op artistiek gebied hier
en daar wat steken laat vallen. ‘I Live in Fear’ is altijd
interessant en bevat heel wat boeiende ideeën, maar hij is ook één
van de weinige Kurosawa’s die niet echt weten te overtuigen.

Toshiro Mifune speelt Kiichi Nakajima, een zeventigjarige
fabrieksbaas die geobsedeerd is door het idee van een atoomoorlog.
Dag en nacht maakt hij zich zorgen over het onvermijdelijke
bombardement dat Japan te verduren zal krijgen, en dus besluit hij
om met zijn hele familie te verkassen naar Brazilië, één van de
weinige landen waar je schijnbaar veilig bent voor atoombommen.
Zijn vrouw en kinderen zien die verhuis echter niet zitten, en
omdat hun oude vader op z’n eentje de fabriek en al het geld bezit,
besluiten ze naar de vrederechter te stappen om hem onbekwaam te
laten verklaren. Die vrederechter wordt geadviseerd door dokter
Harada (Takashi Shimura), een tandarts die bijklust als raadgever.
Harada fungeert als het geweten van de film, die zowel de kinderen
begrijpt als de paranoïde oude man, die steeds meer geïsoleerd
raakt in zijn panische angsten.

Kurosawa maakte ‘I Live in Fear’ in 1955, net toen de koude
oorlog stilaan goed op gang begon te komen. De Amerikanen maakten
druk propaganda over het Rode Gevaar, er werden regelmatig
atoomproeven uitgevoerd en in Japan was het nog maar tien jaar
geleden sinds Hiroshima en Nagasaki. Een gevoelig onderwerp dus,
dat automatisch voor een zeker onbehagen moet hebben gezorgd.
Datzelfde jaar verscheen overigens ‘Godzilla’ in de Japanse zalen,
een prent die werd geïnspireerd door dezelfde nucleaire paranoia.
Maar waar ze in ‘Godzilla’ de Zeitgeist probeerden te
vatten via een science fiction sprookje, kijkt Kurosawa de
sluimerende angsten van de Japanners recht in de ogen. Hij geeft er
een naam aan, speelt geen spelletjes, en levert een realistische
weergave die qua stijl vaak doet denken aan het Italiaanse
neorealisme.

Dokter Harada zegt op een bepaald moment letterlijk dat de
angsten van Nakajima eigenlijk die van het hele Japanse volk zijn.
Nucleaire dreiging was nu eenmaal realiteit, het was perfect
mogelijk dat er elk ogenblik een atoomoorlog kon uitbreken. En dat
leidt Kurosawa tot de intrigerende centrale vraag van zijn film:
wie is er gekker? Nakajima, die dat gevaar extreem acuut aanvoelt
en simpelweg niet meer in staat is om zijn leven verder te zetten?
Of alle anderen, die er bewust voor kiezen om niet over het
probleem na te denken en het allemaal van zich af zetten? We weten
wat het meest rationele is – je kunt nu eenmaal niet in constante
angst leven, anders word je gek – maar het is niet omdat iets niet
rationeel is, dat het daarom onbegrijpelijk of zelfs onjuist
is.

Op een ander niveau bekeken fungeert ‘I Live in Fear’ ook als
een metafoor voor het stervensproces. De angst voor een atoomoorlog
is eigenlijk angst voor de dood. De meeste mensen denken zelden
over de dood na, en als ze het doen, dan doen ze dat oppervlakkig,
zonder de gedachte echt toe te laten. Nakajima daarentegen, is
helemaal doordrongen van die verlammende gedachte: “ik ga sterven”,
en hij probeert, in paniek, dat feit te ontvluchten. In die zin zet
de film enkele thema’s verder die ook al in ‘Ikiru’ zaten, hoewel die
film veel milder was en het idee uitdroeg dat het mogelijk is om
vrede te vinden met jezelf en sereen te sterven. In ‘I Live in
Fear’, stevig verankerd in het nucleaire tijdperk als de film is,
is een dergelijke sereniteit onmogelijk, en blijft er enkel het
roemloos strijdend ten onder gaan over.

Het conflict tussen Nakajima en zijn kinderen is uiteraard een
zoveelste generatieconflict, zoals het oeuvre van Kurosawa er al
wel wat had gehad. Vooral in ‘Ikiru’ zag je heel
duidelijk het falen van de vader tegenover zijn zoon, met als
gevolg dat die zoon als volwassene niet veel meer van zijn vader
moet weten. Hier gebeurt er iets gelijkaardigs: we voelen
sympathie, of toch minstens medelijden, voor die razende vader,
maar we begrijpen de kinderen veel beter. Hoe zou je tenslotte zelf
reageren als je vader ineens naar Brazilië wil gaan lopen voor de
atoombommen? Dat de pogingen om vader uit z’n zetel als
bedrijfsleider te wippen al gauw ontaarden in een ordinair
gegrabbel naar zijn geld, was wellicht onvermijdelijk en één van de
meest geloofwaardige aspecten van de film. Zowel vader als kinderen
zijn niet onsympathiek, maar wel corrupt, zoals we dat allemaal
zijn. De kinderen zijn hebberig, de vader was in vroegere jaren
schijnbaar tiranniek en heeft nog een rits onwettig nageslacht
rondlopen.

Dat alles wordt in een film gestopt die continu de nadruk legt
op de hitte van het zomerse Tokio: de personages lopen de hele tijd
rond met waaiers, ventilatoren ondernemen hopeloze pogingen om de
lucht te verfrissen en af en toe steekt er een warmteonweer op. Dit
is een kleverige, hete film die eindigt met een opmerkelijk shot
waarin de hoofdpersonages naar de zon kijken – zelden een filmbeeld
gezien waarin je zo goed merkte dat de zon eigenlijk gewoon een
gigantische vuurbol is.

Dat zit allemaal wel goed, en voor de fans is ‘I Live in Fear’
zeker en vast gefundenes Fressen, maar toch klikt de film
niet helemaal soepel in elkaar. Enerzijds gaat de thematiek soms in
de weg staan van het dramatische verhaal: we krijgen scènes en
dialogen die wat al te nadrukkelijk geënsceneerd lijken, enkel en
alleen om inhoudelijke punten te kunnen maken. Zowat elke scène
waarin dokter Harada naar huis gaat en verslag uitbrengt over de
zaak aan zijn zoon, heeft daaronder te leiden. De bedoeling van die
scènes is enkel om de gedachten van Harada expliciet te maken, niét
om het verhaal vooruit te helpen.

En verder is er Toshiro Mifune, die op z’n 35ste een
man moest spelen die dubbel zo oud was als hij. Hij werd voorzien
van verrassend geloofwaardige make-up, loopt voorover gebogen en
ziet er pijnlijk mager uit, maar hij lijkt hier eerder een
karikatuur van een oude vent te spelen dàn een echte oude man. In
‘Ikiru’ speelde Takashi Shimura ook een man die behoorlijk wat
ouder was, maar Shimura, die als acteur altijd meer diepgang had
dan Mifune de grote entertainer, wist ook de menselijkheid van die
oudere figuur te vinden. Mifune blijft hier een beetje aan de
oppervlakte krabbelen, waarschijnlijk omdat hij zich op zijn
leeftijd doodgewoon nog niet kon voorstellen wat het was om een
radeloze oude man te zijn. Niet zijn schuld, maar wel een
miscasting.

‘I Live in Fear’ is en blijft een boeiende film, daar niet van,
maar hij is net iets teveel verhandeling en net iets te weinig
drama. Als tijdsdocument en als vergeten werk van een groot
regisseur kun je z’n waarde echter onmogelijk ontkennen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in