Still Life





108 min. /
China /2006

Elke week begint bij mij op dezelfde manier: met een
innerlijke knokpartij tussen mijn nieuwsgierigheid en mijn
rotsvaste overtuiging dat een film bekijken zonder enige voorkennis
het zuiverste oordeel oplevert. Blanco aan een film beginnen, is
volgens mij nog steeds de ultieme en eerlijkste filmervaring. Je
blik is zuiverder en je bent voorbereid op alles en niets tegelijk:
je hebt geen verwachtingen. Het maakt een positieve filmervaring
des te meer overrompelend. Mijn nieuwsgierigheid haalt het vrijwel
altijd met groot gemak, al is het maar omdat er altijd wel iets is
dat je voor ogen springt, een quotering die in je hoofd blijft
zeuren om verduidelijking of een opmerking van iemand waardoor je
toch vlijtig aan het lezen en het info vergaren gaat. Zeker als de
film een prijs gewonnen heeft, is het moeilijk om je in te houden.
Bij ‘Still Life’, de winnaar van de Gouden Leeuw op het
Filmfestival van Venetië, had ik me nog eens schrap gezet en heb ik
me weten te beperken tot een minimum aan informatie. Het zou een
film zijn ‘over het verdwijnen van een oude Chinese stad, opgenomen
tussen de brokstukken en het oorverdovende sloopwerk in’. Een
uitstekende test, want dit summiere zinnetje bleek als achtergrond
niet genoeg om van de film te kunnen genieten. ‘Still Life’ is zo’n
film die pas volledig is, na aanvulling met de redeneringen en
verklaringen van de regisseur. Zoiets kan maar één ding betekenen:
dat hij op zichzelf niet sterk genoeg was.

De kracht van ‘Still Life’ (Sanxia Haoren) zat wel in mijn
zinnetje verstrikt. Het feit dat de film volledig op locatie is
gefilmd, tijdens de échte vernietigingswerken in de stad Fengjie,
geeft een serieuze meerwaarde. We zien hoe grote gebieden al onder
water zijn gezet en de kentekens op de huizen (die worden gemerkt
als bomen die moeten worden omgehakt) duiden erop dat het niet lang
meer zal duren vooraleer de hele gemeenschap voorgoed onder het
waterpeil zal verdwijnen. De oorzaak van deze verdwijntruc is de
bouw van een waterkrachtcentrale aan de Drieklovendam in de
Yangtze-rivier, waar China zeker rijker van zal worden, maar als
offer voor deze modernisering moet wel een slordige honderdduizend
mensen hun huis verlaten. Regisseur Jia Zhang-Ke (van o.a. ‘The
World’ en ‘Unknown pleasures’) plant zijn camera midden tussen het
gedrilboor en het stofferige steengedruis. Hij toont de bevolking
die nog in de stad blijft rondhangen: de jongeren blikken
nostalgisch terug op hun verleden en zingen luidkeels mee met de
typische liefdesliedjes, maar ze hebben anderzijds ook geen tijd om
bij de pakken te blijven zitten. Ze nemen hiervoor een voorbeeld
aan de acteur Chow Yun-Fat, wiens stoere gedrag uit ‘A Better
Tomorrow’ ze met veel bewondering imiteren. Hun ouders zitten in
dezelfde dubbelzinnigheid knel en proberen vooral om vóór de
definitieve verhuis nog vlug wat boterhammen te verdienen.

De levensechte setting schept een surreële sfeer. Want wanneer
krijgt een filmmaker nog eens de kans om te filmen ten tijde van
een échte gebeurtenis, ter plekke op de apocalyptische setting? Hij
hoeft zich geen zorgen te maken over het nabouwen van decors of het
uitzoeken van figuranten, hij heeft de hele rimram gratis
voorhanden. Het is als tijdens een oorlog de mogelijkheid krijgen
om op het slagveld rustig een filmpje te gaan draaien. Een
geschifte buitenkans dus, die Zhang-Ke met veel enthousiasme greep.
Alleen weet hij voor de kijker niets extra op te diepen uit zijn
voordelige situatie en legt hij gewoon rustig en stilzwijgend de
feiten vast.

Zhang-Ke kiest voor een digitale camera, waardoor de beelden
continu ‘overbelicht’ lijken, wat het berg- en rivierlandschap wel
iets mysterieus en iets zeer ‘aanwezigs’ geeft. Tegenover deze
overweldigende achtergrond gehuld in een witte gloed, plaatst de
maker een verhaaltje dat zo minuscuul banaal is, dat het als een
kiemplantje niets van tegengewicht kan bieden tegen de sloophamers,
pletwalsen en hijskranen op de achtergrond. Een koolmijnwerker
keert na zestien jaar terug naar Fengjie om zijn vrouw te zoeken en
een jonge verpleegster doet hetzelfde om uit te vissen waar haar
man al twee jaar uithangt. Daarmee is alles gezegd. Bij dit soort
van films dient het verhaal als aanleiding om de gebeurtenis een
gezicht te geven en de impact van de situatie concreter te schetsen
(denk maar aan ‘Titanic’), maar hier werkt dit omgekeerd. De
‘teloorgang van deze zinkende stad’ beweert een verhaal te hebben,
maar dat heeft weinig meer om het lijf dan het slobberende
marcelleke van de mijnwerker: twee mensen gaan op zoek
naar hun oude geliefden om afscheid te nemen, maar meer dan wat
nostalgisch rondstruinen en in de lucht turen komt daar niet bij
kijken. Door dit veel te apathisch verhaal krijgen we net
minder inzicht in of voeling met de situatie. De
personages tonen nauwelijks emoties (na elkaar zestien jaar niet
gezien te hebben, mag je op zijn minst eens met je ogen knipperen!)
en als kijker voel je er dan nog minder bij. De beelden schreeuwen
om symbolisch geïnterpreteerd te worden, maar blijven maar wat
moeilijk verstaanbaar echoën in de vallei. Bij gebrek aan een
duidelijke verhaallijn, begin je zonder veel succes achter alles en
niets symboliek te zoeken.

Op een bepaald moment passeert er bijvoorbeeld een UFO in de
lucht. Om achteraf te lezen dat de maker hiermee het absurde van de
situatie wou weergeven. Het in één keer wegvagen van een eeuwenoude
Chinese stad is even dwaas als het verschijnen van een vliegende
schotel aan de hemel. Allemaal mooi en diepzinnig achteraf, maar
dat soort van ideeën destilleer je er zelf niet uit. Ook de
opdeling in vier hoofdstukken volgens vier levensproducten
(sigaretten, alcohol, thee en suikergoed) mist een beetje zijn
doel, zo zonder bijkomende uitleg.

Het valt niet te ontkennen dat er wel wat poëtische momenten te
rapen zijn in de film, zoals het knappe travelling shot in het
begin op de boot of het moment waarop de mijnwerker en zijn vrouw
gehurkt tegenover elkaar zitten, met het beeld van de stervende
stad achter zich, gezien door een groot gat in de muur. Dat zijn
filmische momenten die wel bijblijven, maar ze zijn allemaal te
danken aan de mensen en de omgeving die er op die plek voorhanden
waren en volgens mij had dat weinig te maken met de inventieve blik
of het talent van de regisseur.

Misschien had Zhang-Ke het beter bij een documentaire gehouden:
de info zou even droog zijn aangepakt, maar dan hadden we tenminste
meer te weten gekomen over de situatie. Als film ontbeert ‘Still
Life’ een goed script, interessante dialogen en een goede
uitwerking in het algemeen. Mensen met véél geduld bij Aziatische
kabbelende cinema worden nauwelijks beloond, want de film vraagt te
veel inspanning, vooral dan om wakker te blijven, en geeft er te
weinig voor terug. ‘Still Life’ biedt weinig poortjes om ‘in de
film’ te stappen, het is een lichtpoëtisch stilleven dat zo stil
is, dat we de boodschap nauwelijks kunnen horen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in