Damien Rice :: 26 maart 2007, Cirque Royale

Nadat de stofwolk van Rices emotionele splinterbom in het Koninklijk Circus is weggetrokken, is de mening van het koppel naast ondergetekende even schizofreen als het concert zelf. De jongen loeit mee met de staande ovatie van het publiek, het meisje zit er apathisch bij en beent snel naar de uitgang. Hij vindt het "het snijdendste" (sic) dat hij ooit heeft gezien, zij de "meest nietszeggende herrie" die zij ooit heeft gezien. Tekenend en misschien zelfs begrijpelijk.

Het meisje blijkt een van de mensen te zijn die Rice hebben opgepikt met de met voorsprong mooiste wintersingle "9 Crimes", en dus de jankende, weemoedige Rice koesteren. Die mensen zullen wel een paar keer fronsend op hun ticket gekeken hebben of ze wel op het juiste concert zitten. Rice, die bewust alle voorgekauwde regels van de huidige muziekindustrie een welluidend "Fuck You" toeroept (geen interviews meer bijvoorbeeld), laat om te beginnen "9 Crimes" namelijk volledig links liggen. Een lot dat nu ook Lisa Hannigan, zijn muzikale bondgenote die de songs naar hogere sferen en niveaus tilt, te beurt valt. Hun wegen zijn gescheiden. Aan sommige blikken in de zaal te zien, volgen er nog. Hannigans afwezigheid laat uiteraard hier en daar een leemte vallen, maar Rice slaagt erin dat gemis ongeforceerd op te vangen.

Rice gaat voor bijna de helft van de set als een labiele, razende dolleman tekeer. Aan zijn songs te oordelen, heeft de liefde de doos van Pandora over hem uitgekapt. Hij betaalt met gelijke en gevaarlijk scherpe munt terug. Hij stampt bijwijlen zo hard op het distortionpedaal dat je het tot in de nok van het Circus kan horen, zoals in het aanvankelijk rustige "I Remember" dat hij met een vervormde stem gillend uiteenrijt. De piano of cello van de mooie deerne Vyvienne Long is dan vaak het enige dat overeind blijft in een beklemmende, ongelooflijk intense orkaan. Wie erin opgaat, beleeft een onvergetelijke rit tussen het emotionele vagevuur en de amoureuze hel. Wie zich niet laat meezuigen, kijkt verdwaasd toe en vraagt zich af waar en óf het überhaupt nog ergens over gaat, zoals het voornoemde ontgoochelde meisje.

In tegenstelling tot anderen, blijft zij anders wel zitten tijdens het tweede bisnummer, "Cheers Darlin’", dat hij aanvankelijk gekunsteld geïmproviseerd brengt met het (voortreffelijke!) voorprogramma Bell X1 — een band die bestaat uit leden van de groep Juniper, waar Rice zelf nog deel van uitmaakte. Tijdens zijn lang verhaal over de totstandkoming van de song, laat hij een roadie drie keer eenieders glas vol rode wijn gieten, een glas dat Rice zelf theatraal en naarstig rokend in één teug naar binnen slokt. Vervolgens zwalpt hij schijnbaar stomdronken over het podium om het nummer nu eens snuivend aan een kaars, dan weer verdwaasd meppend op een trom om te toveren in een soort zeemanslied. Liefde doet vreemde dingen met een mens, maar dit schouwspel, zijn inleving in een song is zo wars van dosering en bevreemdend dat het nog lang zal nazinderen. Rice verbijstert niet alleen op plaat.

En wat een verschil met het ingetogen gesternte waaronder het concert begint, wanneer de Ier alleen naar het publiek sloft en zonder microfoon of versterker openingsnummer "The Professor" zingt en het eerste half uur geen woord zegt. Het bloedmooie "Elephant" krijgt,dankzij de celliste — en beste muzikante — Long de versie die het verdient. Tussendoor mag ook zij solo een lieflijk en lichtkomisch liedje brengen. Elke song ondergaat ingrijpende wijzigingen: de venijnige nieuwe single "Rootless Tree" wordt o zo mooi balsemend gespeeld op piano, "Coconut Skins" klinkt ronduit uitmuntend als het door de hele band wordt ingezet. In die song wordt definitief duidelijk dat het louter om performen gaat: muzikanten wisselen even vaak van instrument als dat ze met hun ogen knipperen — zo gaat de gitarist in "Coconut Skins" op een kleine trom percussioneel loos met de drummer. Er gebeurt vanalles óp, niets achteraan het podium.

De meeslepende, naakte nummers beklijven nog meer dan op plaat. Ze klinken alsof Rice ze in uw woonkamer brengt en werken in het muisstille Circus menig concertganger zelfs op de traanklieren. Dat Rice sommigen die heimelijk zuchtend mee wiegen, een half uur later zuchtend naar de uitgang doet verlangen, zal en mag hem worst wezen. Als hij met het fantastische "Cannonball" het concert beëindigt zoals het begon, zonder microfoon zingend en spelend, ontwaak je uit een angstaanjagend intense roes. Daar zaait hij tweespalt mee. Maar dat doet de liefde ook. Daar komt élk koppel vroeg of laat wel achter.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in