Bobby




Het is moeilijk te geloven maar een paar decennia geleden liep er
blijkbaar nog een hoopvolle generatie rond in die fantastische
United States of Freedom. Een kliek positivo’s die
geloofde in verandering, gelijkheid, vooruitgang en al die andere
bullshit waar we vandaag zo heerlijk cynisch over kunnen doen. Het
is nog moeilijker te geloven dat die laatste kans op een potentieel
fatsoenlijk Amerika vanonder het nostalgische stof werd gehaald
door vergeten Brat Packer Emilio Estevez. Vermomd als een
liefdesbrief aan Robert F. Kennedy (misschien wel de belangrijkste
what if-politicus uit de Amerikaanse geschiedenis), laat
de ster van ‘Men At Work’ en ‘The Mighty Ducks’ de tijdsgeest van
weleer heel even opflakkeren met een warmbloedige mozaïekprent.
Estevez is geen Altman en mikt iets teveel op de buik in plaats van
op de hersenen, maar zijn oprecht idealistische aanpak siert hem en
verdient een verdienstelijk ‘je hebt dat goed gedaan,
man’-schouderklopje.

Half Hollywood (zowel A-als B-listers) kruipt in de huid van een
twintigtal individuen die op de vooravond van de moordaanslag op
RFK elk hun persoonlijk drama beleven in het legendarische
Ambassador Hotel. De charismatische kok Edward (Laurence
Fishburne) geeft de illegale kelners en keukenhulpjes
poltiek-filosofische lesjes (let’s keep the brown man
down!)
. Hotelmanager Ebbers (William H. Macy) ontslaat de
racistische cateringchef (Christian Slater) terwijl hij eigenlijk
zijn vrouw (Sharon Stone) bedriegt met een telefoniste (Heather
Graham). De jonge Diane (een fletse Lindsay Lohan) wil met haar
jeugdvriend William (Elijah Wood) trouwen om hem te redden van de
hel in Vietnam. Gepensioneerde portier John Casey (Anthony Hopkins)
komt nog eens langs om te schaken met zijn vriend Nelson (Harry
Belafonte) en uitgebluste diva Virgina Fallon (Demi Moore in een
wel heel moedige spiegelrol) bereidt zich voor op haar grote show
naar aanleiding van het bezoek van Robert ‘Bobby’ Kennedy.
Daarnaast laten nog twee campagne-vrijwilligers zich verleiden tot
hun eerste LSD-trip door hippie Ashton Kutcher, wipt Martin Sheen
even binnen om wat liberale oneliners te lossen en
probeert een socialistische journaliste een interview te versieren
bij de entourage (Joshua ‘Dawson’s Creek’ Jackson en Nick Cannon)
van Bobby. Allemaal verschillend in leeftijd, klasse en ras, maar
elk verbonden door het gedachtegoed, de hoop en de tijdsgeest van
de sixties, verpersoonlijkt door die ene man die nooit de kans
kreeg om zijn beloften waar te maken.

Tien jaar heeft Estevez aan zijn labour of love
gewerkt. Tien jaar afzien van writer’s block en smeken om
budgetten. Tien jaar om te bewijzen dat hij meer is dan een tien
secondenonderwerp in de ‘where are they now’-documentaires. Hij
heeft diep moeten tasten, maar het is eruit geraakt. ‘Bobby’ heeft
fouten en mist een talentvollere hand achter de camera (én de
schrijftafel), maar als persoonlijk project staat het er wel. Geen
biopic, geen complotthriller (er wordt met geen woord gerept over
de moordenaar en zijn motivaties), maar een fictieve vertelling op
een historische achtergrond met de echte waarden en emoties die
leefden en uiteindelijk ook stierven op die bewuste avond eind
jaren zestig. De visie van Estevez is naïef en komt vaak
simplistisch over (de personages zijn symbolische pionnen om de
thematiek en de moraal te prediken), maar hij méént het wel
allemaal. Dit is zijn reactie op het ongezonde Amerika van nu (de
parallelle verwijzingen naar het huidige politieke klimaat zijn
overduidelijk), dat volgens hem begonnen is die avond dat Bobby
stierf. Dit is zijn herinnering, zijn politieke overtuiging (zoals
de rest van de Sheen-clan een lefty in hart en nieren),
zijn oproep aan de nieuwe generatie om een voorbeeld te nemen aan
die spirit van toen. Toen de hoop op een betere toekomst
zo dichtbij was dat ze het konden proeven. De intenties van Emiel
zijn zo bewonderenswaardig dat ze bijna de tekortkomingen doen
vergeten. Bijna.

Want ondanks de goede bedoelingen slaagt Estevez er niet in om
een ensemblefilm op te bouwen die constant vasthoudt. Na een
zwierige Andersoneske introductie (met van die coole steadicamshots
switchen we vlotjes tussen de personages) valt onmiddellijk op dat
hij eigenlijk niet zo heel veel te vertellen heeft over zijn
soapy personages. Eerst en vooral zijn er het er teveel
(wedden dat Heather Graham op dit moment nog altijd verloren loopt
in dat hotel) en waren een drietal subplotjes beter geschrapt om
meer relevante personages extra screentime te geven. Het verhaaltje
met Martin Sheen en Helen Hunt gaat volledig de mist in en het
stoneravontuur van de twee vrijwilligers is zo out of
place
dat het de sfeer en toon van de film meermaals komt
verknoeien. Daarnaast blijven de personages steken op
betekenisvolle typetjes in plaats van zich te ontwikkelen tot
mensen van vlees en bloed. De wijze Afro-Amerikaan, de gezellige
oudjes, de hoopvolle youngsters, de brave Mexicaan (een
goeie Freddy Rodriguez nochtans) die een stukje American
Dream
wil lenen, de overspelige man, de verwelkte zangeres en
ga zo maar verder. Het zijn allemaal theoretisch voorbereide
individuen die te overduidelijk de onderliggende thematiek moeten
weergeven. Estevez heeft een boodschap (een hele mooie zelfs), maar
heeft geen boeiend verhaal om zijn boodschap krachtig in te
verwerken.

Waar ‘Bobby’ wel punten mee scoort is de sfeervolle evocatie van
de tijdsgeest. De look en feel van de
minisamenleving zit heel goed: van de slagroomkapsels, Malcom
X-brillen en kleurrijke lentejurkjes tot de motownsongs die uit de
radio’s swingen, van de steeds dieper zakkende zon die de
hotelkamers met haar warme kleuren binnenglipt tot de geinige
discussies over de borsten van Anne Bancroft in ‘The Graduate’. Het
getraumatiseerde burgerrechtengevoel (Martin Luther King werd drie
maanden eerder doodgeschoten en voor vele Afro-Amerikanen was Bobby
dan ook de enige die nog een verschil kon maken), de steeds
dodelijker wordende schaduw van Vietnam en de valkuil van morele
onverschilligheid wordt (niet altijd even subtiel) verwerkt in
onbewaakte momenten, details en natuurlijk de vele archiefbeelden
van Robert Kennedy en zijn speeches. Estevez steekt nergens onder
stoelen of banken dat hij een sentimentele ode brengt aan een
verloren tijd, en weet dit perfect te vatten in beelden en dialogen
(de scène tussen Sharon Stone en Demi Moore is schitterend). Het
ligt er soms wat dik op en een liedjesmontage is wat al te
makkelijke keuze, maar het werkt wel.

Pas wanneer de tragische maar onvermijdelijke finale nadert,
gooit Estevez alle remmen los en bereikt hij eindelijk dat
emotioneel overdonderende schouwspel dat ‘Bobby’ had moeten zijn.
Het is een sterk georchestreerde climax waarin alles en iedereen
tegen elkaar opbotst. De schoten, de paniek, de verwarring, het
ongeloof bij de mensen, een stoel die in een vlaag van wanhoop
tegen een muur wordt gegooid, dat laatste zuchtje hoop dat voorgoed
verloren gaat en een inspirerende toespraak van Bobby
himself om mee naar huis te gaan. Zo sterk dat je al half
vergeten bent dat de rest van de film te vaak en te veel in de
middelmatigheid is blijven steken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in