Tom Waits :: één met het rariteitenkabinet

De gruizige rasp van meesterverteller Tom Waits is er op ’s mans jongste driedubbele werkstuk Orphans: Brawlers, Bawlers & Bastards niet gepolijster op geworden. De stem van de bard mag dan velen afstoten, ze leent zich uitstekend voor de sinistere sprookjes en getormenteerde levensverhalen van de verworpelingen der aarde, vergroeid met de goot, aan wiens zijde Waits zich altijd geschaard heeft. De grens tussen fictie en autobiografie is daarbij niet altijd even duidelijk te trekken.

Al meer dan dertig jaar ligt er ondertussen tussen het debuut Closing Time uit 1973 en het alternatieve carrièreoverzicht van Orphans. Vergeleken met de vervaarlijk aan de zelfkant van de maatschappij zwalpende creaturen die in zijn latere werk zouden opduiken, zijn de figuren die Waits’ liedjes aanvankelijk bevolken nog aandoenlijke doetjes. Vooral op Closing Time hebben de tooghangers, naast de vijfde whisky van de avond, vooral een schouder nodig om op uit te huilen. Waits leent zijn stem zowel aan de dolverliefden met de kolder in de kop als aan de door het leven keihard in de ballen getrapte radelozen en de emotioneel gekneusden. Het in merg en gemoed snijdende “Martha”, over een oude en verloren gegane liefde, is wellicht de bekendste exponent van zielpijn op het debuut.

Onderweg

Eind jaren zestig neemt Waits de wijk naar San Francisco. De toen welig tierende hippiebeweging laat hij feestelijk aan zich voorbijgaan, het te volgen spoor is dat van de beatniks en Jack Kerouac. Waits ontwikkelt de ambitie om een muzikaal luik te breien aan de literaire output van de hele beatnikbeweging — de referenties aan Kerouac, Burroughs en Bukowski zijn in interviews uit die tijd niet van de lucht. De personages uit Waits’ eerste albums, die hij uitbrengt begin jaren zeventig — naast Closing Time ook The Heart Of Saturday Night (1974) en Nighthawks At The Diner (1975) — houden het thematisch simpel en blijven trouw aan de beatnikspirit: er zijn drinking songs en driving songs. De Bob-campagnes ver vooruit, wordt een combinatie van de twee gelukkig niet gepropageerd.

Voor zover de figuranten in Waits’ eerste platen al geen eeneiige tweelingen en alter ego’s zijn, worden ze stuk voor stuk toch verbonden door dezelfde karaktertrek: rusteloosheid. Ergens voorgoed de tenten opslaan is geen optie, het gras dat steeds groener is aan de overkant en de verre horizonten roepen. “The only place a man can breathe and collect his thoughts is midnight and flyin’ away on the road”, klinkt het in “Semi Suite”. Die mening zijn haast alle hoofdrolspelers toegedaan. Hun geliefden moeten het steevast afleggen tegen de interstate, en is het geen voortjakkerende trein op de achtergrond, dan wel een schip dat wacht tot de laatste matroos is ingescheept. ‘Thuis’ is in alle songs een vluchtig begrip en geen plek om met haast en spoed naar terug te keren. “So goodbye, so long, the road calls me dear”.

Waits spant zich ondertussen uitermate in om daadwerkelijk te doen waarover hij zingt en houdt de mythe over zijn persoon in stand door consequent in beschonken toestand op interviewafspraken en optredens te verschijnen. In plaats van met egards behandeld te worden door de eigenaars van de clubs waar hij moet concerteren, wordt hij er geregeld hardhandig aan de deur gezet. “The Piano Has Been Drinking, Not Me” wordt een grapje dat in zijn omgeving op den duur zelfs niet meer op een monkellach onthaald wordt. “Our love needs a transfusion, let’s shoot it full of wine” (uit “New Coat Of Paint”) is niet de manier om een spaak gelopen relatie weer op te lappen, maar daar wil this old tomcat in die tijd niet aan.

In de tweede helft van de jaren zeventig verschuift het perspectief van de ik die zwelgt in zelfmedelijden en sterke drank zachtjesaan naar een reeks kleurrijke figuren die zich ophouden in de ranzige onderbuik van de samenleving: introducing de kroeghanger van de late uurtjes, de zwerver, de naar betere tijden verlangende serveerster en de op goedkope wijn levende leegloper. Allen worden ze met veel mededogen geportretteerd, al wordt de snerende en sarcastische toon als het moet ook wel van stal gehaald. In “Step Right Up” (Small Change, 1976) wordt lustig en satirisch geciteerd uit de verkoopspraatjes van een marktkramer, die aan Waits alvast geen vaste klant overhoudt. De beste vriend blijft wel de fles, en na de nachtelijke drinkgelagen is dit het resultaat: “smelling like a brewery, looking like a tramp” (“Pasties And a G-string”, eveneens uit Small Change.)

Waits zou later overigens daadwerkelijk in de huid kruipen van de figuren die hij portretteert, dan wel creëert. Zijn cameo’s en volwaardige rollen op het witte doek zijn onderhand niet meer op de vingers van een hand te tellen. Naast filmrollen waarin hij min of meer zichzelf speelt, zoals de nachtclubeigenaar in Rumble Fish (1983) en de dj in Down By Law (1986), transformeert Waits in Hector Babenco’s Ironweed (1987) in de aan kanker lijdende zwerver Rudy, die in de krottenwijken van New York wordt doodgeslagen door een overijverige burgerwacht. Als de insecten etende Renfield in Francis Ford Coppola’s Dracula (1992) timmert Waits verder aan de weg om zijn plaatsje te verdienen in het rariteitenkabinet.

Schaduwfiguren

Het drieluik Swordfishtrombones(1982), Rain Dogs(1985), en Frank’s Wild Years(1987), algemeen beschouwd als de creatieve en meest toegankelijke hoogtepunten uit zijn oeuvre, luiden een andere muzikale stijl in en ook een andere kijk op de songsmederij. Waits komt tot het inzicht dat de personages die tot leven komen in zijn liedjes niet per se samen hoeven te vallen met de man die de pen vasthoudt: “Ik weet nu dat het belangrijk is om jezelf als schrijver te scheiden van wie je werkelijk bent. Ik besef dat een auteur die moordmysteries schrijft geen moordenaar hoeft te zijn.” En dus wordt het disfunctionele gedrag voortaan aan de schaduwfiguren van de auteur overgelaten.

Het personage dat de luisteraar wellicht voor altijd zal bijblijven door de treffende openingszin waarmee zijn levensverhaal van start gaat, is ongetwijfeld Frank uit “Frank’s Wild Years”, de intrigerende parlando op Swordfishtrombones: “Well Frank settled down in the valley and hung his wild years on a nail that he drove through his wife’s forehead.” Frank zou uiteindelijk een veel langer leven beschoren zijn dan de drie minuten van de naar hem vernoemde song. Benieuwd naar hoe het ooit zo ver met hem is kunnen komen en vooral hoe het met hem zou aflopen, bombardeert Waits de ongelukkige Frank tot een theaterstuk voor de Steppenwolf Company in Chicago, waarin hij zelf de hoofdrol voor zijn rekening neemt. Als logische exponent volgt een album volledig gewijd aan Franks eerst rijzende, maar algauw weer pijlsnel neerstortende ster.
De songs op Frank’s Wild Years hebben uiteindelijk weinig te maken met wat er in Chicago op de planken wordt gebracht. In de voorstelling kunnen de songs worden ingepast in de tekst van het stuk, voor de plaat moet Waits ze opensnijden om er weer stukjes toneel in te kunnen stoppen, “als vulling in een kalkoen”. Hoewel de liedjes noodgedwongen chirurgisch bewerkt zijn, nemen ze alweer de vorm aan van fonkelende diamanten: “Innocent When You Dream” mag zo in de eregalerij van de kiekenvleessongs, en zo heeft Waits er op haast elke plaat meer dan één in de aanbieding.

Was het op Swordfishtrombones misschien nog onwennig kennismaken met de rare vogels uit de groezelige buurten die Waits frequenteert, dan wordt de achteloze toehoorder helemaal mee in het bad getrokken voor een zintuiglijke ervaring die zijn gelijke niet kent op dat andere meesterwerk uit de tachtiger jaren, Rain Dogs. De titel verwijst naar honden die in de regen de weg kwijtraken omdat alle geuren worden weggespoeld. Gedesoriënteerd leggen ze zich ergens te slapen om de volgende dag kop noch staart te krijgen aan hoe en in welke toestand ze beland zijn in de uithoek waar ze zich bevinden. De parallel met verschoppelingen op de dool ligt voor de hand en wordt op de plaat in extenso uitgewerkt. Uit rioleringen, louche bars en gokhuizen komen ze massaal tevoorschijn, de figuren die geen daglicht verdragen. Van de eenarmige dwerg die kapitein is van het schip dat even aangemeerd is voor een nacht van licht vertier in opener “Singapore” tot de berustende dronken zeeman in “Anywhere I Lay My Head”, geen enkel karakter is geschikt voor de rol van brave burgerman of -vrouw. Alsof wij iets anders zouden willen.

Carnivale

De alleen nog door bijzienden als mensen herkenbare anomalieën en curiositeiten hebben altijd al hun plaats gehad in het werk van Waits, maar vooral op de latere albums zijn de glansrollen voor hen weggelegd. Wanneer het doek van The Black Rider (1993) openzwaait, wordt de onvoorbereide bezoeker meteen binnengegooid in Harry’s Harpour Bizarre, waar de Driehoofdige Baby, Hitlers brein, de aapvrouw Priscilla Bajano, het menselijke skelet Milton Malone en Jo Jo, de jongen met de hondenkop en andere vergissingen van de natuur, te kijk worden gezet. Het album is de eerste uitloper van een herhaalde samenwerking met toneelregisseur Robert Wilson. Het toneelstuk The Black Rider: The Casting of the Magic Bullets, gebaseerd op het werk van W.S. Burroughs, is een vrijgeleide voor Waits om helemaal loos te gaan in zijn schetsen van de succesnummers van de freakshow. Het zou niet verbazen mochten de Carnivale-auteurs Waits-fans zijn. Ook op het fabeltastische Mule Variations (1999) kan Waits het niet laten en rakelt hij onder meer de ongelukkige geschiedenis op van de “Eyeball Kid”, de jongen zonder ledematen die een en al oogbal is. Accidents happen.

Ook de twee tegelijk uitgebrachte cd’s Alice en Blood Money (2002) vloeien voort uit de theaterproducties van Wilson. Voor de personages die er gestalte krijgen in het mistige niemandsland tussen waken en dromen, is het geen overbodige luxe geregeld over de schouder te kijken: het onheil dat achter elke hoek loert, jaagt op den duur niet alleen henzelf maar ook de toehoorder de stuipen op het lijf. Zijn de vreemde vogels op het dromerige Alice nog amusant en niet in die mate afschrikwekkend dat ze ertoe nopen luid gillend weg te rennen — al zouden we ons geld niet toevertrouwen aan de loensende nachtbrakers op de “Reeperbahn” — dan is het driedubbel uitkijken voor de vervaarlijk met knipmessen zwaaiende drankorgels die Blood Money bevolken. Van het zoveelste skelet dat grijnzend een hoempawalsje inzet, kijkt geen mens nog op na de achtbaanrit die het recentere werk van Waits steeds meer is.

Het driedubbele Orphans, dat het laatste wapenfeit is in een ondertussen uitgebreide discografie, is in wezen een synthese van alles wat Waits de jongste drie decennia uitgebracht heeft. Brawlers (ziedende, stampende bluesrock), Bawlers (krakkemikkige ballades) en Bastards (spoken word en niet te klasseren rariteiten) zijn kelderrestjes, maar ten huize Tom Waits wordt geen Chateau Migraine geserveerd, alleen grand cru’s zijn het ontkurken waard. Voor de cast en muziek geldt ook hier wat wij al een heel artikel verkondigen: niet voor tere kinderzielen, maar voor wie zijn kinderlijke verbeelding vrij spel durft te geven, is het wonderland van Alice binnen handbereik.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in