Live and Let Die

Eén van de grootste problemen voor de makers van de Bondfilms
was altijd welke richting ze op den duur nog uit moesten om de
verhalen fris te houden. Tegen de tijd van ‘Live and Let Die’ in
1973, leek het alsof ze zowat alles al wel hadden geprobeerd: ze
waren de serieuze toer opgegaan in ‘From Russia With Love’
en ‘On Her Majesty’s
Secret Service’
en ze hadden de grenzen van de
silliness verkend in ‘Goldfinger’ en ‘Diamonds Are Forever’.
In ‘Live and Let Die’ zaten de producenten met twee problemen: waar
moesten ze ditmaal naartoe en hoe konden ze Roger Moore het best
introduceren als nieuwe James Bond, zónder een fiasco à la George
Lazenby te riskeren?

Het antwoord op de eerste vraag was dat scenarist Tom Mankiewicz
ditmaal de plot construeerde rond de actualiteit van toen. Bond
neemt het op tegen Dr. Kananga (Yaphet Kotto), de dictator van San
Monique, een klein eiland in de Cariben. Kananga heeft een plan
uitgedokterd om via een reeks bars in New Orleans en Harlem gratis
heroïne te verspreiden – zijn bedoeling is om het aantal
verslaafden waanzinnig de hoogte in te duwen en zodoende zijn
concurrentie van de markt te drijven. Hij wordt hierbij geholpen
door zijn persoonlijke waarzegster Solitaire (Jane Seymour), die
uiteraard voor de haan driemaal gekraaid heeft door James Bond zal
zijn besprongen. Dat spreekt voor zich.

Tot dan toe waren er niet zoveel Bondfilms die elementen van de
werkelijkheid in hun scenario opnamen. ‘From Russia With Love’
is een schitterend voorbeeld, natuurlijk, omdat de koude oorlog
daar een essentieel onderdeel van de plot uitmaakt. In ‘Diamonds are Forever’
wordt er verwezen naar kluizenaar/miljardair Howard Hughes, en daar
houdt het dan wel zo’n beetje bij op. Voor ‘Live and Let Die’ ging
Mankiewicz zijn inspiratie echter zoeken in de spanningen tussen
blank en zwart in het Amerika van die tijd. De vroege jaren
zeventig waren dé periode van gettovorming – er bestond een zeer
grote afkeer van de (grotendeels arme) zwarte gemeenschap tegen het
conservatieve, overtuigd blanke beleid van Richard Nixon. Het
gevolg was dat grote zwarte gemeenschappen, zoals die in Harlem,
wemelde van misdaad en druggebruik. Het cliché van New York als een
gevaarlijke stad vol straatcriminaliteit is toen echt tot leven
gekomen. Nu moet je absoluut geen diepzinnige sociale analyses gaan
verwachten in een Bondfilm, maar dat gegeven dient wel als
achtergrond voor wat er in ‘Live and Let Die’ gebeurt. Al de
slechteriken zijn zwarten, die inspelen op de miserie van de mensen
in Harlem en New Orleans.

Dat houdt onder andere in dat er een gevaar bestond op
beschuldigingen van racisme – als je deze film moet geloven, houden
alle zwarten zich bezig met voodoo en andere occulte praktijken, en
zitten ze allemaal in de drugshandel. Om een compensatie aan te
bieden voor dat beeld, introduceren regisseur Guy Hamilton en
Mankiewicz enerzijds een paar positieve zwarte personages (Quarrel
Jr, de zoon van het in ‘Dr No’ schielijk
overleden hulpje van Bond, en een zwarte agent van de CIA), en
anderzijds een racistische schertsfiguur van een zuidelijke
sheriff, JW Pepper (Clifton James). Op die manier probeerden ze het
hele gegeven van ras enigszins te ontmijnen, en voor het grootste
deel lukt dat ook wel.

Destijds was ‘Live and Let Die’ de meest actuele Bondfilm tot
dan toe, wat inhoudt dat hij tegenwoordig één van de meest
gedateerde is. De zwarten in deze film dragen afro’s waar je een
baby in kunt verstikken, spreken in termen van groovy, cat
en mother, en dragen kleren die zó weggejat lijken uit de
garderobe van Huggy Bear uit ‘Starsky & Hutch’. Ik veronderstel
dat je dat de film niet écht kwalijk kunt nemen (films die we
tegenwoordig prijzen omdat ze zo actueel zijn zullen over dertig
jaar ook wel wat gegiechel uitlokken), maar het stoort wel.

Die actuele aspecten niet te na gesproken blijven alle klassieke
elementen van een Bondfilm resoluut overeind: we krijgen de
ondergrondse schuilplaats van de slechterik, spectaculaire
ontsnappingen en achtervolgingen, een paar one-liners, een drietal
verschillende deernes die dringend toe zijn aan wat Bondage
enzovoort en zo verder. Een paar van die scènes zijn best wel
geinig, zoals een ontsnapping aan een meute hongerige alligators en
een lange speed boat chase, maar voor het grootste deel
voegen ze niets toe aan wat we eerder al hadden gezien in de andere
films. Neem nu een achtervolging waarin Bond een dubbeldekker bus
vordert en ermee onder een te lage brug moet rijden. Natuurlijk is
die scène goed uitgevoerd, maar we hébben dit al eens gezien. Wat
de actie betreft, weet Guy Hamilton slechts sporadisch te scoren,
en blijft hij voor het overige teveel de platgetreden paadjes van
zijn voorgangers volgen.

Blijft daar natuurlijk Roger Moore – nadat pers en publiek
George Lazenby hadden uitgespuwd, mochten de producenten van geluk
spreken dat Moore wél aanvaard werd. Anders had de hele reeks wel
eens plat kunnen liggen. Nochtans zou het nog tot ‘The Spy Who Loved Me’
duren voordat hij zich helemaal comfortabel zou voelen in Bonds
maatpak – je ziet hem zoeken naar het juiste evenwicht tussen humor
en sérieux om de rol tot een goed einde te brengen. Net
zoals George Lazenby naar dat evenwicht zocht, eigenlijk. Lazenby
was op z’n best tijdens serieuze scènes, Moore is beter als hij
grappig mag zijn. Naarmate de reeks tijdens de hoogdagen van Moore
meer en meer in de richting van de komedie neigde, ging de acteur
zich dan ook steeds beter voelen.

‘Live and Let Die’ is een interessante Bondfilm op z’n eigen
manier, zij het dan verre van de beste. Er zitten boeiende ideetjes
in, maar die worden tegengewerkt door een al te conventionele
regisseur, die bang is om af te wijken van de formule. Nuja, in
ieder geval verzekerde de succesvolle entrée van Moore dat de serie
zou blijven voortbestaan. Da’s alvast iets.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in