The Squid and the Whale




77 min. /
USA / 2005

Sinds Wes Anderson eind jaren negentig scoorde met ‘Rushmore’,
en daarna opnieuw met ‘The Royal Tenenbaums’,
heeft de onafhankelijke Amerikaanse cinema zich zonder omkijken op
de disfunctionele gezinnen gestort. Je komt nauwelijks nog een
komisch bedoelde Amerikaanse indie tegen of hij zit wel
boordevol met quirky personages en surrealistische
situaties: vader snuift lijm terwijl moeder haar eigen jongste zoon
ontmaagdt, dat soort dingen (of als het nóg gekker mag: haar
dochter). Het probleem daarmee is wel dat op den duur al die films
op elkaar gaan lijken, tot de bizarre persoonlijkheden en vreemde
toestanden behoorlijk hol gaan klinken. Op papier lijkt ‘The Squid
and the Whale’ misschien opnieuw zo’n geval, maar goed nieuws:
ditmaal is er sprake van échte personages, met échte problemen en
karakters. Ja, ook hier krijgen we weer een verhaal over
gezinsrelaties die spaak lopen, en ja, ook hier vertonen alle
betrokkenen weer het soort van gedrag waar de gemiddelde psychiater
eens grondig van in z’n baard zou krabben, maar ditmaal zit er ook
een hart en ziel onder die gekkerij verscholen. De personages zijn
niet zomaar grillig om grillig te zijn, het gaat ook ergens
over.

Jeff Daniels speelt Bernard Berkman, een gerateerde schrijver
die al in jaren geen manuscript meer verkocht heeft gekregen en dan
maar lessen in literatuur is gaan geven. Ondertussen is zijn
echtgenote Joan (Laura Linney) steeds populairder geworden met haar
eigen verhalen en columns, wat voor behoorlijk wat wrijvingen
binnen het gezin zorgt. Uiteindelijk besluiten de Berkmans te
scheiden en de voogdij over de kinderen te delen. Walt (Jesse
Eisenberg), de oudste van de twee, trekt onmiddellijk partij voor
zijn vader. De jongere Frank (Owen Kline), kiest dan weer moeders
kant. Tijdens de weken en maanden die volgen, ontstaat er een
steeds grotere polarisering tussen de twee kampen in het gezin.

In essentie is ‘The Squid and the Whale’ een zeer scherpzinnige
observering van mensen die zodanig gefrustreerd zijn dat ze
emotioneel en sociaal helemaal dichtklappen. Bernard krijgt geen
letter meer op papier en de letters die hij wél nog heeft, raakt
hij aan de straatstenen nog niet kwijt. Bijgevolg klampt hij zich
wanhopig vast aan zijn reputatie als literaire expert. Hij schrijft
‘A Tale of Two Cities’ kortweg af als “minor Dickens”, en
noemt Kafka zonder gêne “één van zijn voorgangers”. Alles en
iedereen beoordeelt hij volgens de strengste artistieke maatstaven,
en als het niet voldoet, zal hij absoluut niet bang zijn om het te
zeggen. Wanneer Walt een liedje voor zijn ouders zingt dat hij
later op een talentenjacht wil brengen, zegt zijn moeder simpelweg
dat het mooi was. Bernard wil ook bemoedigend zijn, maar voor hem
is het nummer solid, en hij zegt dat het “substantie”
heeft.

Walt zelf is dan weer een typische angstige tiener die
ongelooflijk graag serieus genomen wil worden en dan maar kennis
etaleert die niet eens van hemzelf komt. Hij praat zijn vader na in
prachtige staaltjes pseudo-diepzinnigheid zoals: “De
metamorfose
is erg kafkaesk.” Hij kan geen antwoord bedenken
wanneer de andere persoon zegt: “Omdat het geschreven werd door
Kafka, misschien?” Jesse Eisenberg zat eerder al in ‘The Village’, waar hij
me niet echt was opgevallen, maar hier is hij toch een beetje de
ontdekking van de film: hij weet ongelooflijk irritant te zijn in
z’n vertolking van nep-intellectueel (soms wil je hem echt
hoogstpersoonlijk wurgen met z’n pompeuze praat), maar anderzijds
toont hij ook gewoon de kwetsbaarheid van een puber die niet met de
scheiding van z’n ouders omkan en niet weet hoe hij met meisjes
moet praten tenzij door het cultuursnobisme van z’n vader over te
nemen.

Aan de andere kant van de familie is er Joan, die troost zoekt
bij andere mannen, en jongere zoon Frank, die met z’n twaalf jaar
zuipt als een Zwitser, vloekt als een ketter en er de eigenaardige
gewoonte op nahoudt om te masturberen op school en dan z’n sperma
over de kastjes en de bibliotheekboeken te smeren. Yummie. Het is
jammer dat die twee personages niet beter zijn uitgewerkt. Bernard
en Walt worden bijna pijnlijk helder geschetst door regisseur Noah
Baumbach. ‘The Squid and the Whale’ is een semi-autobiografische
film over Baumbachs eigen ervaringen tijdens de scheiding van zijn
ouders, en je merkt in die twee personages dat dit iets is dat hij
zelf heeft meegemaakt. Joan en Frank daarentegen, krijgen minder
tijd om zich te ontwikkelen en blijven een beetje steken in de
anekdotiek. Misschien had Baumbach beter gewoon de keuze gemaakt om
zich volledig te concentreren op de vader-zoon relatie tussen
Bernard en Walt, en dan de twee andere personages volledig naar het
achterplan te duwen. Of anders had hij gewoon z’n film langer
moeten maken en alle personages evenveel tijd moeten geven. Dat had
trouwens best gemogen – ‘The Squid and the Whale’ duurt ocharme 77
minuten en is wellicht de enige film die ik dit jaar heb gezien die
gerust een stukje langer had mogen zijn. In ieder geval, nu lijkt
het alsof Baumbach naar een evenwicht zoekt tussen de personages
dat hij niet vindt.

Verder niets dan lof: Baumbach toont lef in de situaties die hij
durft te brengen en de dialogen die hij durft te schrijven. Een
twaalfjarige die zich tegen een bibliotheekkast aanschurkt,
vervolgens een hand in z’n broek steekt en met een kleverige
handvol bovenkomt – laat ons zeggen dat dit bepaald geen Disneyfilm
is. De regisseur gaat nog niet zo ver als Todd Solondz in
‘Happiness’, maar soms gaat ‘The Squid and the Whale’ wel die
richting uit. In ieder geval, het is een film met ballen, die er
regelmatig in slaagt om écht grappig te zijn.

Visueel is alls ook dik oké: de film speelt zich af in 1986, en
de overwegend geel-bruine fotografie versterkt de waarachtigheid
van die periode. Met z’n handgehouden camera (zonder àl te bibberig
te worden, goddank) doet Baumbach zelfs soms denken aan de
relatiedrama’s van Woody Allen (denk eens aan ‘Husbands and
Wives’). Jeff Daniels en Laura Linney zijn allebei vaak
onderschatte acteurs, die hier, in een kleinschalig
indie-filmpje, eindelijk nog eens de kans krijgen om flink
uit te halen – zij het dan Daniels méér dan Linney. Allebei spelen
ze moedige rollen, waarin ze nooit proberen om hun personages
mooier te maken dan ze zijn.

‘The Squid and the Whale’ lijdt aan een aantal
schoonheidsfoutjes, oké, maar het is en blijft een tragikomedie met
bizarre personages én een hart. Of zoals Bernard het zou zeggen:
het is solid. Het heeft substantie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in