Stone Sour :: Come What(ever) May

Ha, de late jaren negentig. Toen van ons nog verwacht werd dat we puberden. Toen je pas meetelde wanneer je ’s nachts door je papa bezocht werd. Toen het voorbeeld van Nirvana tot in het belachelijke gevolgd werd, en iedereen depressief of (op zijn minst) gefrustreerd was. Over wie of wat, dat deed er niet meer toe. Maar die tijden zijn voorbij. Snif.

Dat is dan buiten Corey Taylor gerekend. De man is een kind van het fin de siècle en doolt tegenwoordig ietwat ontheemd rond tussen de suïcidale emokids en metalcore-luchtvechters, op zoek naar de scene die van tijdgenoten Limp Bizkit, Papa Roach en Linkin Park sterren maakte. Zijn Slipknot overleefde als enige, door te evolueren. Wanneer hij dat bandje even beu is, trekt hij zich tegenwoordig samen met enkele (al dan niet Slipknot-)makkers terug in Stone Sour. Het eerste album had best wel wat succes en daar is nu dus een logisch vervolg op gekomen. Het luidt de terugkeer van de nu metal in, zij het met een behoorlijke hardrocktint.

Toegegeven: die tint stààt Stone Sour. De gitaartandem James Root-Josh Rand weet verduiveld goed hoe een catchy (nu) metalriff uit een instrument te persen, maar schikt zich evengoed in een bescheidener rol wanneer dat de song het beste uitkomt. Verder hint de band in "Sillyworld" heel even naar Pink Floyd (!) en toont vooral Taylor dat hij zoetgevooisder is dan men op het eerste gezicht zou denken, zo bijvoorbeeld in "Through Glass", een radiosingle/powerballad die zonder schroom op de top-20 van de Ultratop mikt.

Dit klinkt als het veelbelovende recept voor een moderne hardrockband, ware het niet dat het daar ook bij blijft. Op die enkele uitschieters na blijkt het songmateriaal net wat te zwak, waardoor Stone Sour tekort komt en lijkt af te stevenen op een voldoende. Een veilige voldoende, weliswaar. Niets meer, niets minder. Maar dan toont Taylor zijn ware gelaat.

Flash-forward naar het jaar 2050. De oude man zit in een shopping mall op een bankje. Hij wordt aangesproken door twee iets jongere — maar ook al duchtig kalende — mannen, haalt even de schouders op en brult dan "Hate!" — of iets dergelijks gepatenteerd Gefrustreerds. Taylor krijgt van beide grinnikende mannen een dollarbriefje toegestopt en gaat dan weer zitten.

Dat is het lot van een karikatuur. Dat het stilaan zo ver aan het komen is, heeft de zanger vooral aan zichzelf te danken, en daar zullen zinsneden als "I can never live this way", "I am made of scars" of "I don’t know how much more I can take" geen zier aan veranderen, integendeel. En dat is een pijnlijke vaststelling: een van de beste en meest distinctieve strotten in de hedendaagse metalwereld is een janker. Een neut. Een vat vol teenage angst, dat zich af en toe probeert te verschuilen achter machismo en een paar keer gevoelig uit de hoek probeert te komen, maar uiteindelijk alleen maar pijnlijk duidelijk maakt hoe onzeker hij is. Daar kwam Taylor enkele jaren geleden misschien nog mee weg, tegenwoordig is dat niet meer het geval.

Zo blijft Come What(ever) May ergens steken tussen belofte en grijze middenmoot, en is het dus hoogstwaarschijnlijk geen spek voor uw bek, geachte meerwaardezoeker. Vindt u echter binnen een paar maanden een verweesd exemplaartje in de grijze afdankbakken van uw plaatselijke platenboer, geef het dan een warme thuis. Zolang u de teksten negeert, blijft het immers een best te pruimen modern hardrockplaatje. En doet u het niet voor de hakkende gitaren, doe het dan voor kermende Corey en zijn afschuwelijke lot.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in