Adrift




Mensen gaan er vaak luchtig over, maar er zijn goeie empirische
redenen om niet in de zee te gaan zwemmen: dat water is pokkenkoud,
het is zo vervuild als het groot is, als je de pech hebt om een
slok binnen te krijgen hoef je drie uur later zelfs geen zout op je
frietjes meer te doen en je krijgt van die lijkwitte, geribbelde
voze vingers. Als je echt pech hebt, beland je zelfs midden in de
oceaan zonder terug op je bootje te geraken en kun je niet anders
dan afwachten tot je sterft van koude, vermoeidheid en ontbering.
Dat kun je ook nog voorhebben.

Verleden jaar kregen we de surprise hit ‘Open Water’, waarin twee duikers werden
achtergelaten door hun groep en alleen bleven ronddobberen in de
oceaan terwijl een horde haaien de kaas van tussen hun tenen kwam
knabbelen. Die prent werd voor minder dan geen geld gedraaid, maar
bracht wel behoorlijk wat op. Het gevolg: een sequel die niet
zozeer een vervolg is als wel een schaamteloze herkauwing van
hetzelfde gegeven. ‘Adrift’ werd gedraaid onder de werktitel ‘Open
Water 2’, en die vlag dekt de lading ook wel. De specifieke
omstandigheden verschillen, maar het gegeven (“o, wat is zeewater
toch nat en koud”) blijft krek hetzelfde.

We volgen een groepje vrienden die elkaar al vijf jaar niet meer
gezien hebben, maar nu opnieuw hebben afgesproken om de verjaardag
van één van hen te vieren. Met hun zessen kruipen ze op een jacht
en varen ze de zee op voor enkele dagen zon, zee en onderdrukte
spanningen waar ze liever niet over praten. Dat gaat allemaal goed,
tot de vrienden besluiten om te gaan zwemmen en – geloof het of
niet – vergeten om de ladder eerst naar beneden te laten. Bijgevolg
geraken ze niet meer terug op de jacht, en blijven ze dan maar
hulpeloos ronddobberen, nauwelijks enkele meters verwijderd van hun
redding. Extra drukmiddel: er ligt nog een baby aan boord te
slapen, die elk moment kan wakker worden en beginnen huilen.

Eén van de standaard kritieken op ‘Adrift’ is het voor de hand
liggende “hoe kan iemand nu zo stom zijn om de zee in te springen
zonder de ladder naar beneden te laten?” Filmmaker Hans Horn
verzint een soort rationalisering hiervoor – eigenlijk was het de
bedoeling dat één van hen aan boord zou blijven, tot zij door de
flauwe plezante van het gezelschap bij wijze van grapje overboord
wordt geduwd – maar zelfs dat lijkt me niet strikt noodzakelijk.
Menselijke domheid kent geen grenzen, dit soort dingen kunnen
inderdaad gebeuren. De personages beginnen zich pas écht debiel te
gedragen eens ze in dat water liggen. De volgende alinea kan
spoilers bevatten voor wie daar gevoelig aan is.

Zo bedenkt één van de personages plots het lumineuze idee om al hun
badpakken uit te trekken en aan elkaar te binden om ze als touw te
gebruiken. Het plan werkt: ze gooien hun geïmproviseerde touw op
het dek en één van de mannen probeert zich aan boord te hijsen. Tot
één van de zwemshorts scheurt. Waar deze personages dom zijn
geweest: waarom laat je een fors gebouwde man zich optrekken aan
zo’n fragiel touwtje, in plaats van een veel lichtere vrouw? En
waarom proberen ze daarna niet gewoon hun touw opnieuw aan boord te
gooien? De drenkelingen van ‘Adrift’ proberen niets twee keer. Nog
een voorbeeldje: op een bepaald moment weten ze een jasje met een
gsm erin naar beneden te haken. Die gsm heeft een zeer slecht
bereik en werkt niet meteen. Gevolg: die wordt dan maar summier
weggesmeten. Hey, wie wil er zich nu bezighouden met het fixen van
een gsm terwijl je druk bezig bent te bevriezen in ijskoud water?
Het moest zo maar eens lukken, dan zou de film meteen afgelopen
zijn.

Die stupiditeit van de personages gaat behoorlijk in de weg staan:
ze werken elkaar van de eerste tot de laatste minuut tegen, hebben
niet genoeg verstand om een plan twee keer te proberen en elke kans
op redding die ze hebben, helpen ze vakkundig naar de knoppen. Het
valt moeilijk om mee te leven met mensen die zich zó onnozel
gedragen op crisismomenten. Wat ook niet helpt, is het feit dat al
die personages gespeeld worden door amateurs. Op z’n best zijn ze
middelmatig, op z’n ergst zijn ze zo irritant dat je zit te wachten
tot de haaien uit de eerste ‘Open
Water’
een bezoekje komen brengen. Zo is er Cameron Richardson
als sekspoppetje Michelle – een krijsend en grienend stel borsten
waar een rotkarakter achteraan bengelt. In welk laboratorium ze die
Richardson ontwikkeld hebben weet ik niet, maar ik kan niet zeggen
dat ik er snel een bezoekje wil brengen.

‘Adrift’ bevat een paar leuke suspensemomenten, dat is waar: zal de
zwembroek scheuren of niet, zullen ze het duikersmes kwijtspelen of
niet, zal de baby gered worden of niet? Maar tussendoor krijgen we
veel te veel dode momenten. ‘Adrift’ heeft eigenlijk geen plot,
maar alleen maar een situatie (domme mensen komen in zee terecht).
Met die situatie anderhalf uur vullen is geen sinecure, en dus
slepen Hans Horn en zijn scenaristen er maar vanalles bij om tijd
te rekken, inclusief lamlendige conversaties (“geloof jij in een
leven na de dood”?) die er eigenlijk niets bij komen doen.

Komt daar nog bij dat de cinematografie soms om te gruwen zo lelijk
is. De camera dobbert samen met de personages in het water, wat een
te verdedigen keuze is – subjectieve cameravoering, de wanhoop van
de situatie visueel uitdrukken, blablabla – maar in de praktijk
neerkomt op misselijkmakend cameragezwier. Of je nu op zee zit of
niet, desoriënterend gedobber blijft desoriënterend gedobber,
hoezeer je ook probeert om het een air van artistiekerigheid mee te
geven.

De situatie van ‘Adrift’ had misschien aanleiding kunnen geven tot
een goeie kortfilm – zo’n strak thrillertje van dertig minuten, wie
weet – maar de spanning van de situatie wordt volledig ondergraven
door irritante en domme personages, ondermaatse acteerprestaties,
veel te veel opvulling en een ronduit lelijke beeldvoering. Voer ‘m
aan de haaien, die Hans Horn!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in