[T]ékël :: [T]ékël

Wat doe je als de rest van je bandje opstapt en je nog maar met twee over blijft? Een letter toevoegen aan de groepsnaam (de band heette aanvankelijk Ekel) en aan de slag gaan met knoppen en schuivers: die doen gewoon wat je ze vraagt en trappen het niet zomaar af.

Zonder het zelf helemaal in het snotje te hebben, maakten Julien Briffac en Loïc Le Guillou het electrowereldje de afgelopen jaren onveilig middels het droppen van dansvloerbommetjes zoals "Cif" en "Snake Tartare". Hun 12 inches belandden in de koffers van o.a. Laurent Garnier, Ivan Smagghe, Villalobos en Tiefschwarz. [T]ékël werd een kleine hype en er zaten al wat mensen op het puntje van hun stoel voor dit album.

Als we u zeggen dat dit Franse duo een mix van electro, minimal, techno, rock en new wave brengt, dient zich waarschijnlijk een lichte geeuw aan. Toch willen we u graag verzoeken dit plaatje een kans te gunnen. Al wordt het u niet makkelijk gemaakt.

Aftrapper ’Mycose the Night’ komt aardig op gang maar geraakt zes minuten lang nooit echt op dreef. Een voorspel dat nergens toe leidt dus. ’Tutut’ is makker dan de titel doet vermoeden maar niettemin aardige electro-wave-pop die de fans van Fischerspooner zeker zal bekoren. In hetzelfde straatje treffen we "Toufutouflam" en "Pulco" aan, kitchy eightiespop die aan de borst van Depeche Mode en Human League heeft gelegen. Nice!

T]ékëlricht de duistere blik echter grotendeels op de dansvloer. We horen onderkoelde electrohouse ("Smet"), catchy electrofunkrock à la Rinôçérôse ("Mekanik Ordi"), hoe Underworld zou klinken als ze op het International Deejay Gigolos label van DJ Hell zaten ("Placid") en onweerstaanbaar onsubtiele handjes-in-de-lucht electrotechno ("Cid")die het zeker goed zal doen op de festivals.

Dat de roots van de heren in de rock liggen is duidelijk. Her en der duikt er een vettige gitaar op en een aantal nummers leunen dicht aan bij het werk van Vitalic, de elektronische incarnatie van AC/DC.

En toch mist [T]ékël soms iets wat onze oosterburen "schwung" plegen te noemen. Mannen als Vitalic en Ivan Schmaghe laten het zweet tegen het plafond condenseren zodat de enige verkoeling gevonden kan worden in datzelfde zweet dat terug in je nek klettert. [T]ékël kan dat ook klaarspelen maar houdt het meestal droog. Telkens als het tijd lijkt te worden om de stoelen swingpaleisgewijs aan de kant te schuiven, houden de heren de boot af. De productie is af en toe wat aan de koele kant zodat sommige beats een beetje kaal gepluimd lijken.

Dat neemt niet weg dat [T]ékël een van de spannendere electro-tech-rock-whatever-albums van dit jaar aflevert. Het gaat er nogal eclectisch aan toe op dit schijfje. Die hutsepot van stijlen en invloeden gaat de Parisiens bijzonder goed af. En hoewel de climax soms dus een beetje uit blijft, zijn we benieuwd naar toekomstig werk van dit gezelschap. Naar eigen zeggen kan dat overigens evengoed een garagerockalbum worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in