Scott Walker :: The Drift

Alles is relatief. Wij hoeden ons dan ook voor het onbezonnen,
lichtzinnig gebruik van absolute termen als ‘uniek’, ‘enig’,
‘baanbrekend’, ‘grensverleggend’ of ‘revolutionair’. Wanneer wij
van onze sokken geblazen worden door een plaat die we – naar onze
bescheiden vermogens – nergens mee kunnen vergelijken of aan
linken, dan wijten we dat eerder aan de (vele) lacunes in onze
kennis van de (hedendaagse) muziek. Zo ook wanneer we ons wagen aan
één van de soloplaten van Scott Walker, de man aan wie vandaag een
haast mythische, goddelijke status wordt toegeschreven. Is wat hij
doet zo uniek, enig, baanbrekend, grensverleggend of revolutionair?
Net omdat het zo voor de hand liggend zou zijn deze woorden voor
deze plaat te gebruiken, gaan we proberen het niet te doen omdat er
ongetwijfeld nog meer artiesten zijn die op eenzelfde manier
trachten hun eigen weg te zoeken en te volgen in de muziek, de
grenzen aftasten van het genre/de genres waarin zij actief
zijn/waren, en er als de dood voor zijn anderen en vooral zichzelf
te herhalen. Alleen maakten zij nooit deel uit van één van de
succesrijkste hitgroepen uit de jaren ’60, prijkte hun beeltenis
nooit op slaapkamers en figureerden hun – ongetwijfeld even
goddelijke – lichamen nooit in de koortsige fantasieën van onze
(groot)moeders. Dit alles neemt echter niet weg dat het uitgerekend
Walker is die met ‘The Drift’ (zijn eerste plaat in elf jaar)
tekent voor een grootse, meeslepende, fascinerende, verslavende,
pakkende, uitdagende, ontluisterende en soms beangstigende trip
langs de donkerste aspecten van de mensheid en van het mens
zijn.

Natuurlijk kan je er niet omheen dat de muzikale loopbaan van Scott
Walker er niet echt één is van dertien in een dozijn, verre van. Om
te beginnen was muziek niet de enige grote liefde van de jonge Noel
Scott Engel. Voor hetzelfde geld was hij acteur geworden, maar daar
besliste het lot dus anders over. Nadat hij als Scotty Engel zijn
eerste stappen zet in de muziekbusiness onder de vleugels van Jack
Nitzsche (toenmalig medewerker van Phil Spector, later zelf
succesvol arrangeur en producer) en bas speelt bij o.a. The
Surfaris en The Routers, krijgt hij een rolletje in een tv-serie.
Hij speelt er de broer van John Maus, met wie even later hij The
Dalton Brothers opstart. Aanvankelijk is Maus de leadzanger, maar
aangezien zijn stem steeds vaker te lijden heeft onder vervelende
verkoudheden, neemt Engel gaandeweg zijn rol over.
In Gazzari’s Club in L.A. leren ze hun toekomstige drummer kennen,
Gary Leeds, een ex-astronaut-in-spe, die er net een verblijf in
Engeland heeft opzitten en dolenthousiast is over de beatgroepen
die daar op dat moment furore maken. Omdat de nieuwe koers van de
tot Walker Brothers herdoopte groep niet meteen aanslaat in eigen
land, nemen de drie de wijk naar Engeland. De rest is geschiedenis:
een paar jaar lang beheersen de Walker Brothers de hitparades met
”Make It Easy On Yourself’, ‘The Sun Ain’t Gonna Shine Anymore’ en
‘My Ship Is Coming In’.

Al gauw blijkt Scott Walker niet in de wieg te zijn gelegd voor het
sterrendom. Teleurgesteld in de machinaties van de muziekbusiness,
stapt hij uit de groep en besluit hij voortaan zijn eigen weg te
gaan. Vooral het moment waarop hij de muziek (en vooral de donkere
romantiek) van Jacques Brel leert kennen is daarbij bepalend voor
wat zal volgen. Niet alleen bewerkt hij samen met tekstschrijver
Mort Shuman tal van Brel-nummers, in de periode 1967-70 verschijnen
snel na elkaar vier soloplaten (‘Scott’, ‘Scott 2’, ‘Scott 4’ en,
jawel, ‘Scott 4’) vol melancholische, orkestrale pop, die op hun
beurt een ferme inspiratie worden voor volgende generaties
artiesten als Julian Cope, Nick Cave, Jarvis Cocker (Pulp), Marc
Almond en Neil Hannon (Divine Comedy). In de jaren ’70 worden zijn
eigenzinnigheid en de onnavolgbaarheid nog duidelijker: op het
moment dat hij Europeser klinkt dan ooit neemt hij in 1970 met Ady
Semeland het naar country neigende ‘Til the Band Comes In’ op, en
net wanneer iedereen overtuigd is van zijn
songschrijverkwaliteiten, volgt er een plaat met alleen maar
covers. Maar dé verrassing is ongetwijfeld de eenmalige, korte
reünie met de andere Walker Brothers in 1975.

Nadat hij bijna decennium uit de belangstelling verdwijnt, keert
Scott Walker in 1984 terug met ‘Climate of Hunter’. “Lijkt nergens
op,” oordelen veel fans van het eerste uur, door wie de plaat wordt
ervaren als een klap in het gezicht. “Lijkt nergens op,” luidt ook
het oordeel van de critici, maar zij bedoelen er uiteraard iets
heel anders mee: de goede, oude Scott van ‘The Sun Ain’t Gonna
Shine Anymore’ is verder weg dan ooit en vastbesloten nooit meer
terug te grijpen naar de succesrecepten uit het verleden.
Vervolgens is het elf jaar wachten op ‘Tilt’, de volgende etappe
van Walkers zoektocht naar zijn persoonlijke, muzikale Heilige
Graal, of beter: het volgende, (voorlopige) eindstation van zijn
afdaling naar de kern van zijn kunstenaarschap. Meer nog dan
‘Climate of Hunter’ is ‘Tilt’ een bevreemdende plaat waarin Walkers
bariton behalve met het ‘conventionele pop- en rockinstrumentarium’
bij wijlen heroïsche gevechten aangaat met bizarre
strijkersarrangementen, industrieel lawaai, omgevingsgeluiden en
oude geluidsopnamen van rechtszaken. Op zijn minst avontuurlijk,
interessant en ongewoon, maar niet altijd even evenwichtig en
beklijvend.

‘The Drift’, een plaat die net als haar voorganger elf jaar op zich
heeft laten wachten, is wat ons betreft in alle opzichten de
verbeterde uitgave van ‘Tilt’. Walker gaat op dezelfde weg verder,
maar weet deze keer zijn luisteraar wel te raken op de juiste
plaats en op het juiste moment. ‘The Drift’ doet zelfs meer dan
alleen maar ontroeren, de plaat provoceert ook, brengt de
luisteraar soms aan het schrikken en deinst er niet voor terug de
mensheid af en toe met zijn snuit in zijn eigen drek te wrijven.
Maar bovenal klínkt deze plaat veel beter dan haar voorganger, die
ons vaak net iets te clean leek. Nadat we ons enkele weken gelaafd
hadden aan ‘The Drift’ grepen we nog een keer terug naar ‘Tilt’, om
meteen af te haken bij de lelijke drumsound in de meeste tracks.
Nochtans heeft Walker voor ‘The Drift’ een beroep gedaan op
nagenoeg dezelfde crew als elf jaar geleden: naast (mede)producer
Peter Walsh zijn onder andere ook drummer Ian Thomas, bassist John
Giblin, toetsenman Brian Gascoigne en percussionist Alasdair Malloy
weer van de partij.

Laat u wat de toegankelijkheid van de tien nummers op dit album
betreft niks wijsmaken. Wie zegt dat dit een hermetische plaat is,
weggelegd voor mensen met getrainde oren en een encyclopedische
muziekkennis, is hoogstwaarschijnlijk een snob die dit
luisteravontuur met niemand anders wil delen omdat hij zich kost
wat kost verheven wil blijven voelen boven het plebs. Want waarom
zou iemand die voldoende open minded is, het hart op de
juiste plaats draagt en af en toe ook eens zijn eigen (muzikale)
grenzen wil verleggen niet kunnen genieten van deze plaat? De
thema’s van de songs belangen immers ieder van ons aan.
Wat ‘The Drift’ voorheeft op haar voorganger is dat Walker deze
keer iets meer heeft overgelaten aan het toeval. Zo werden
bijvoorbeeld voor heel wat instrumenten (niet in de laatste plaats
voor de strijkers) geen tot in de puntjes uitgeschreven
arrangementen voorzien, maar eerder vage aanwijzingen. Het gevolg
is dat alles dan ook veel natuurlijker en minder geforceerd
overkomt dan elf jaar geleden. Het geheel klinkt ook veel
organischer. Wanneer de muziek op ‘Tilt’ eerder was als water dat
door de uitgegraven bedding van een kanaal loopt, dan hebben de
tracks op ‘The Drift’ veeleer als het water van een rivier hun
bedding zelf uitgesleten in het landschap.

Niet alles op ‘The Drift’ is van een even hoog niveau. Gelukkig
maar, sommige nummers zijn zo intens (en vragen ook een dermate
intense beleving van de luisteraar) dat het anders onmogelijk zou
zijn geworden dit album in één keer uit te zitten. Veel (details)
willen of kunnen we ook niet kwijt, omdat het ons het beste lijkt
de plaat onbevangen op je af te laten komen, onvoorbereid op de
verrassende wendingen, de (schrikwekkende) geluiden of de hoogst
ongewone, bizarre, zelfs macabere percussie. Sla er in de
platenwinkel het booklet met de poëtische teksten op na, probeer er
eerst uw eigen soundtrack bij te verzinnen en neem vervolgens de
proef op de som. Misschien slaat u fluks op de vlucht, maar
mogelijkerwijze laat u zich meteen meeslepen door opener ‘Cossacks
Are’ en laat u zich vervolgens neerkwakken op de eerste rij van een
groezelige cinema voor ‘Clara’, een snuff movie over Benito
Mussolini en zijn minnares Claretta Petacci, wordt u naar de keel
gegrepen door ‘Jesse’, de klaagzang van Elvis die zich op het
toppunt van zijn roem (maar eenzamer en wanhopiger dan ooit) richt
tot zijn doodgeboren tweelingbroer, … Zo zouden we nog een hele
tijd kunnen doorgaan, maar we zeiden het al: we zouden te veel
verklappen en bovendien is ‘The Drift’ een kunstwerk dat u vooral
zelf moet ondergaan en dat dan ook voor elke luisteraar een andere
betekenis en een andere waarde zal hebben.

Over ‘waarde’ gesproken, we vinden het nog steeds absurd,
hallucinant bijna, dat we voor dit kleinood niet meer hebben
neergeteld dan een belachelijke 12 euro 80. Sta daar maar eens bij
stil wanneer u tijdens één van de komende zomerfestivals staat aan
te schuiven om weer een fortuin te besteden aan drankbonnen en
food tickets!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in