Grandaddy :: Just Like The Fambly Cat

Aan alle goede dingen komt een eind, en zo ook aan Grandaddy. Na de teleurstellende, wat té doorsnee e.p. Excerpts From The Diary Of Todd Zilla, breien de Californische skateboardkabouters een machtige coda aan de bewonderenswaardige opéra Grandaddian die een tiental jaren wondermooie brokjes muziek opleverde. Behalve een eindpunt, is Just Like The Fambly Cat ook vooral een kruispunt, en dat op machtige wijze.

Dat de ontbinding van het Grandaddy-collectief voor de geteisterde frontman Jason Lytle meer een kruispunt in het leven is dan een absoluut einde, las u wellicht al in goddeaus interview met de man, maar Just Like The Fambly Cat staat ook muzikaal middenin de verschillende paden in Grandaddyland, en hetgeen we wellicht in de toekomst nog van Lytle mogen verwachten. Het laatste Grandaddy-album brengt de eigen accenten van de vorige platen samen tot een geheel dat meer dan ooit ademt en een kloppend hart meedraagt. Een soort opper-Grandaddy-plaat, zo u wil.

Zelfs uit de instrumentale inleiding tot het laatste boek des levens volgens Grandaddy, spreekt de typische mix van kinderlijke kwetsbaarheid, zacht zuchtende melancholie, en Lytles onomstotelijke drang om uit die broosheid mooi afgelijnde melodieën en naar de keel grijpende songs te snijden. De verzamelde opa’s tasten daarvoor op Just Like The Fambly Cat nog een laatste keer flink in de zak met bitterzoete harmonieën en aanzwellende arrangementen, zoals op "Campershell Dreams" en het zalvende "The Animal World".

Dergelijke tedere stukjes gevoeligheid worden afgelost door bijna manische brokken stevige rock waarin Lytle het gevecht met zijn eigen bedeesdheid even lijkt te winnen. Zo vliegt de eerste echte song van Just Like The Fambly Cat, "Jeez Louise", er netjes met de botte bijl in, hoewel dat met een eeuwenoud thema als de verschrikkelijke schoonmoeder uiteraard ook moeilijk anders kan. Evenzeer kandidaat voor de titel ‘gezegende lap lawaai’ op het album is het bizarre niemendalletje "50%", dat op amper een minuut tijd Grandaddys punkdemonen uitzweet.

Nog zo’n sferisch, maar meer timide tussendoortje, "Oxygen / Aux Send", effent het pad voor het contemplatieve "Rear View Mirror", een Bowie-achtig nummer dat bij elk refrein aan kracht en overtuiging wint. Met "Summer… It’s Gone" lijkt de band zelf nog even achteruit te staren naar de dagen van "Summer Here Kids". Net als "Elevate Myself" draagt de song dan ook veel van Under The Western Freeway met zich mee, tenminste tot de spacey soundscapes halverwege het nummer ons richting The Sophtware Slump verplaatsen. "Elevate Myself" evolueert dan weer eerder naar een egotrip van Lytle met oude synthesizergeluiden à la … Todd Zilla.

Ook de kristallijnen slepers van Sumday zijn op post en zorgen opnieuw voor de meest genietbare minuten van het album. Wonderlijk zacht en dromerig is "Campershell Dreams", een song als een openbaring. In dezelfde categorie vinden we de juweeltjes van zes-minuten-en-meer "Guide Down Denied" en het wrange "This Is How It Always Starts", de afsluiter die met de krop in de keel ingezongen lijkt te zijn. Die krop wordt gelukkig op de met strijkers beladen ghosttrack weggespoeld: het is gedaan en het is goed zo: "I’ll never return to Shangri-La", een afscheid zonder hysterische tranen maar met begripvolle tevredenheid.

Was Sumday Grandaddys equivalent van opgepoetste Neil-Youngiaanse indierock, Just Like The Fambly Cat gaat eerder in de richting van een glanzende herwerking van Bowies Ziggy Stardust en de brede dynamiek van Bowies eerste werken. Als afsluiter van een discografie kan dat natuurlijk tellen. Bowie liet Ziggy ("like some cat from Japan") los voor hij zijn houdbaarheidsdatum overschreed en meneer Stardust bleef zo een van de belangrijkste spoken van de rockgeschiedenis. In indieland zou Grandaddys kat wel eens hetzelfde kunnen overkomen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in