Place Of Skulls :: The Black Is Never Far

Als u niet wist dat Place Of Skulls-voorman Victor Griffin zowat een levende legende is, trek het u niet aan. Als u er geen idee van had dat The Black Is Never Far reeds het derde werkstuk is van zijn huidige band, dan valt u evenmin iets te verwijten. Als u er ten slotte geen bal aan vindt, dan kan u ’traditionele doom metal’ meteen ook van uw lijstje schrappen en elders uw heil gaan zoeken.

Zijn naambekendheid heeft Griffin voor een groot stuk te danken aan z’n indrukwekkende gitaarspel (loodzware riffs, goed gedoseerde solos), maar de voorgeschiedenis speelt ook mee: eerst stond hij aan het roer van cultband Death Row, waarna hij deel uitmaakte van de zoveelste line-up van Pentagram, dat samen met Black Sabbath nog de grondregels voor doom uittekende. Tot de komst van Lee Dorrians Cathedral begin jaren ’90 waren er slechts enkele bands die het genre enige geloofwaardigheid wisten te geven: Saint Vitus, Trouble en Candlemass creërden trage, zwaar door Sabbath beïnvloede doom, en het is ook in deze periode dat Griffin zijn gortdroge, op de grens van melancholie en aggressie balancerende versie van de stijl perfectioneerde.

Het genre kende een heropleving midden jaren ’90, nadat het werd opgepikt door een publiek dat in stonerrock en doom the new heavy vond Maar jongere bands als Sleep en Electric Wizard speelden een versie die mijlenver van de oorspronkelijke blauwdruk stond: tergend traag en verpletterend zwaar, flirtend met de grenzen van het cartooneske. Terwijl Place Of Skulls deze geluidsmuur ook weet op te trekken op een podium, zal The Black Is Never Far echter niet hip genoeg bevonden worden door jongere generaties, want Griffin & Co. laten immers meer dan ooit hun vroegste invloeden meespelen. Nailed, het eerste Place Of Skulls-album, bevatte al een versie van "Don’t Let Me Be Misunderstood" van The Animals, maar dit album gaat als geheel nog ietsje verder in z’n adoratie voor classic rock.

Bovenop die retro-oriëntatie komt ook nog eens Griffins bekering tot het christelijk geloof, wat zich duft vertalen in zwaar op de hand liggende thema’s en teksten: er moeten dringend souls gesaved worden, innerlijke vrede moet herwonnen worden en duistere impulsen bevochten. Dat zijn gepassioneerde, melodieuze zanglijnen beelden van opeengeklemde kaken en gebalde vuisten oproepen, is overkomelijk, maar muzikaal is het niet altijd even overtuigend: de onverwachte saxbijdrage in "Lookin’ For A Reason" kan ermee door en we zien ook de pogingen tot Led Zeppelin-achtige mystiek van "Darkest Hour" door de vingers, maar voor songs als "Changed Heart" en de titeltrack komt alle redding te laat: het zijn geforceerde lappen schmalz die ’akoestisch’ verwarren met ’subtiel’ en gebukt gaan onder hun protserigheid. Ze herinneren ons ook eraan waarom we liever geen ballads op metal albums horen en fan zijn van Slayer.

Ondanks z’n zwaktes heeft het album gelukkig ook enkele troeven. Als het trio zich toelegt op klassieke doom metal –- zoals in "Prisoner’s Creed", "Relentless" en het sinistere "Apart From Me" –-, dan is er weinig op aan te merken. En als ze zich dan eens bezondigen aan bedenkelijke ideeën (die gejoelde slogans in het politiek-georiënteerde "We the Unrighteous"), dan krijgen we daar fijne dingen voor in de plaats: het hakfestijn "Masters Of Jest" kan zich moeiteloos meten met het latere werk van Trouble, terwijl het benauwende "Sense Of Divinity" verplichte kost is voor aspirant-gitaristen. Kortom: The Black Is Never Far is nergens experimenteel, vernieuwend of écht opvallend, en het zal geen potten breken of nieuwe fans werven. Op z’n best is het wél een degelijk album dat, mits enige reserve, een aanrader is voor doomfans met nostalgische trekjes.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in