A Home at the End of the World




Dit is ‘m dan, de beruchte film waarvoor Colin Farrell een frontale
naaktscène speelde, die vervolgens verwijderd werd omdat de
aandacht van het publiek werd afgeleid door de schijnbaar
indrukwekkende omvang van zijn glockenspiel. Tja, ze zeggen
altijd dat Ieren de negers van Europa zijn. Maar geen zorgen: de
heer Farrell loopt er in de rest van de prent lullig genoeg bij om
dat verlies meer dan goed te maken. ‘A Home at the End of the
World’ is immers een melodramatische draak zoals we die sinds
‘Monster’s Ball’ niet meer gezien
hebben, waarin de acteurs hopeloos in de steek worden gelaten door
een script dat weigert om hen ook maar één enkel oprecht, eerlijk
momentje te geven.

Farrell speelt Bobby Morrow, een jongen die na de dood van zijn
ouders in de late jaren zestig gaat inwonen bij z’n beste vriendje
John en diens ouwelui. De twee worden als broers grootgebracht,
roken samen wiet, beleven samen hun eerste seksuele experimenten
enzovoort. Jaren later, wanneer John al lang uit huis en naar New
York is getrokken, woont Bobby nog steeds bij het koppel, tot z’n
surrogaatvader voorzichtig durft op te merken dat het misschien
eens tijd wordt dat hij op z’n eigen benen leert te staan. Bobby
trekt naar John (nu gespeeld door Dallas Roberts) en gaat bij hem
en een vriendin (Robin Wright Penn) wonen. Op die manier ontwikkelt
er zich een driehoekverhouding die er schijnbaar op ontworpen is om
mensen die normaal gezien driehoeksverhoudingen verdorven en
goddeloos zouden vinden, tóch een traan te ontlokken en te doen
zeggen: “Schoon, hé!”

Dat is het geraamte van het verhaal, maar een algemene beschrijving
kan absoluut geen indruk geven van hoe stroperig dit ding eigenlijk
wel is. Zo heeft Bobby aan het begin van de film een ongelooflijk
goeie relatie met z’n oudere broer (die hem op z’n negende eens LSD
heeft laten slikken – daar zijn broers nu eenmaal voor). Tot die
gast in z’n enthousiasme dwars door een glazen deur heenloopt en
met een verbouwereerde blik op het gezicht een scherf uit z’n
halsslagader plukt, om vervolgens dood neer te stuiken. Auwtsj.
Enkele jaren later sterven Bobby’s beide ouders ook nog eens,
zonder dat daar veel woorden aan worden vuilgemaakt (hey, dat is
wat ouders doen, ze sterven), waarna hij bij John gaat wonen en z’n
ersatzmoeder, gespeeld door Sissy Spacek, zowaar aan de cannabis
krijgt (olé!). ‘Zeg niks aan jullie vader,’ fluistert ze de beide
jongens toe, en ze lurkt gretig aan een joint. Groovy. En
van daaruit gaat het verder, met geschreeuwde liefdesverklaringen,
hetero- én homoseksuele verliefdheden en, wanneer de creatieve nood
het hoogst is en de makers echt niets anders kunnen bedenken – een
goed getimede ziekte. Regisseur Michael Mayer en scenarist Michael
Cunningham gooien er werkelijk àlles tegenaan dat ze maar hebben
kunnen vinden in hun boekje van melodramatische clichés.

Voor sommigen zal dat allicht werken – over een jaar of twee wordt
‘A Home’ op Vijf TV gespeeld en zal hij bekeken worden door een
roedel snotterende dames. Waarom ook niet? Maar hoe openlijker
Mayer en Cunningham hier op mijn traanklieren mikten, hoe
irritanter de film voor mijn part werd. Niet alleen omdat de film
schaamteloos is in de vulgaire manier waarop de emoties in je
gezicht worden geplakt, maar vooral ook omdat er geen enkele
situatie in de prent zit die spontaan lijkt. Alles aan deze prent
is vals, zichtbaar geconstrueerd om toch maar een reactie uit te
lokken.

Zo is Bobby nauwelijks een reëel personage, maar eerder een
soortement emotionele boksbal voor de overige figuren. Hij is
iemand die niet liever wil dan dat iedereen gelukkig is en die
niets voor zichzelf eist – Colin Farrell speelt hier zwaar tegen
zijn bad boy-imago in door het zo introvert en bedeesd te
houden. Oké, maar wié is dat personage dan? Misschien dat het op
papier wel werkte, maar op het scherm blijft er nog maar weinig van
hem over. Het personage van Bobby Morrow is een literaire
constructie die er in een cinemazaal ook zo uitziet: als een
literaire constructie, niet als een echt mens. Je kunt geen blik
geconcentreerd altruïsme opentrekken en het een geloofwaardig
karakter noemen. Heel die Bobby doet en zegt niks waarvan je kunt
denken: “ja, oké, dat klopt, daar kan ik in geloven”.

Het gevolg daarvan is dat Colin Farrell zichtbaar moeite heeft om
zich niet van het scherm te laten spelen door eender welke andere
acteur die voorbijkomt. Hij houdt het zo kleinschalig en
intimistisch dat we hem nauwelijks nog zien staan – wat wel past
bij het personage, maar aangezien het personage ongeloofwaardig is,
is dat geen referentie. Dallas Roberts is niet slecht, maar
absoluut ook niet memorabel als John en Robin Wright Penn voert een
routinematig nummertje op als Clare. De enige die ook maar de
minste indruk weet te maken, is Sissy Spacek als Johns moeder,
wellicht ook omdat zij één van de weinige bronnen van humor is in
de film.

Voeg daar nog aan toe dat Michael Myer er een punt van maakt om
uitsluitend op de meest fotogenieke locaties te filmen, liefst
tegen een langzaam ondergaande zon, en u weet wel zo ongeveer wat u
kunt verwachten. Een zorgvuldig uitgecalculeerde, terroristische
aanslag op uw traanklieren. Hoe meer emotioneel gewicht ze er
tegenaan gooien, hoe minder effect het heeft, maar proberen dat ze
doen, mensen. Probéren!

http://wip.warnerbros.com/ahome/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in