Der Untergang




Nu mag iedereen op z’n kop gaan staan: mijn favoriete film over
Hitler zal voor eeuwig en altijd ‘The Producers’ blijven (“Heil,
baby!”). Voor wie het al eens wat zwaardere kost mag zijn, is er nu
echter ‘Der Untergang’, waarin regisseur Oliver Hirschbiegel
(eerder al verantwoordelijk voor het niet onaardige ‘Das Experiment’) de doodsreutels van het
Derde Rijk in beeld brengt – een beklijvende, knap in beeld gezette
reconstructie van een wereld die zienderogen uit elkaar valt.

Het is april 1945 en Berlijn, tot voor enkele jaren de glorieuze
hoofdstad van wat een duizendjarig rijk had moeten worden, ligt in
puin. De stad is langs alle kanten omsingeld door Russische troepen
en het Duitse leger is zodanig gedecimeerd dat zelfs kinderen van
twaalf, dertien jaar in een uniform gehesen worden en gebruikt
worden als kanonnenvoer. De Führer zelf heeft zich, samen met zijn
militaire top, teruggetrokken in een verstevigde bunker waar hij
nog maar weinig te doen heeft behalve het einde afwachten. We zijn
getuige van zijn aanvankelijk psychopatische optimisme – “Als het
twaalfde en negende regiment samen oprukken, komt alles in orde”,
waarbij niemand het lef heeft hem te vertellen dat die regimenten
al lang niet meer bestaan. Van zijn woedebuien, waarin hij ziedend
fulmineert dat iedereen hem verraden heeft. En ook van zijn
depressie, wanneer het uiteindelijk tot hem doordringt dat alles
verloren is. Terwijl buiten de bommen blijven vallen en de chaos
steeds groter wordt, sleept ook het benauwende drama onder de grond
zich naar z’n einde toe.

Er werden in Duitsland grote vraagtekens geplaatst bij de manier
waarop Hitler wordt afgebeeld in ‘Der Untergang’: hij zou veel te
menselijk gemaakt zijn, een zielige oude man die treurt om z’n
verloren rijk. Niets van aan: Hirschbiegel gaat wel degelijk
voorbij aan de gebruikelijke, karikaturale voorstelling van Hitler
als een duivel met bokkenpoten (Steven Berkoff in ‘War and
Remembrance’ was daar een goed voorbeeld van), maar dat wil nog
niet zeggen dat we met veel warme gevoelens voor de man de zaal
verlaten. Ja, Hitler is vriendelijk tegen z’n secretaresse, ja, hij
geeft de kok complimentjes dat het eten lekker is, ja, hij speelt
met z’n hond en ja, hij staart samen met z’n architect Albert Speer
mistroostig naar de maquette van zijn gedroomde, utopische Berlijn
van de toekomst. Maar dit is ook een man die zonder een seconde te
aarzelen z’n eigen volk in de steek laat (“In deze oorlog zijn er
geen burgers!”), en die zelfs wanneer hij z’n testament dicteert
blijft raaskallen tegen de joden.

Er bestaat vaak een neiging om Hitler af te doen als een soort van
freak of nature, een onverklaarbaar monster dat misschien één keer
ter wereld is kunnen komen, maar daarna toch zeker nooit meer.
Hitler is een concept geworden, een vertegenwoordiging van alles
wat slecht is in de wereld, in plaats van een persoon. Wat ‘Der
Untergang’ doet, en dat is wat de film ook verweten is, is die
mythische figuur van het grote monster terugbrengen naar menselijk
formaat. De eerste keer dat we hem zien in de film, moet hij een
secretaresse uitkiezen – een vijftal dames zitten ongeduldig te
wachten tot de grote Duitse leider de kamer zal betreden, en
wanneer dat gebeurt… Tja, dan zie je een gewoon man, die een
beetje voorovergebogen loopt en zachtjes spreekt. Het meest
angstaanjagende idee achter de cijfers (50 miljoen doden in de
Tweede Wereldoorlog, zes miljoen vermoorde joden), is dat dit geen
demon was, maar een mens. Een fysiek erg zwak mens, dan nog, die
zodanig te lijden had aan Parkinson dat hij waarschijnlijk ook nog
gif nam, in plaats van zich enkel door het hoofd te schieten – hij
had zo eens moeten missen.

Om Hitler heen zien we anderen, al even gek als hij: Eva Braun, een
hersenloze blonde bimbo die tot op het bittere einde feestjes
blijft geven en champagne zuipt. Goebbels, een uitgemergelde figuur
die zo geconditioneerd is tot blinde gehoorzaamheid dat hij aan het
eind staat te huilen als een kind omdat zijn Führer is weggevallen.
Magda Goebbels, zo gesjeesd in haar aanbidding van Hitler dat ze
haar eigen kinderen vermoordt opdat ze niet zouden moeten leven in
de post-nazi wereld. En een hele roedel generaals, die allemaal
weten dat ze geen kans meer hebben, maar absoluut niet de eerste
willen zijn om het aan hun Führer te vertellen.

Hirschbiegel weet een soms haast ondraaglijk realisme te bereiken
in z’n film: de decors voelen zo benauwd aan dat je na een tijdje
naar adem begint te snakken, het camerawerk is zenuwachtig zonder
zeeziekte te veroorzaken en ondanks een speelduur van 150 minuten
blijft het tempo er continu inzitten. De regisseur is iemand die
gepokt en gemazeld is in het commerciële cirquit, en hoewel hij
zich ditmaal bezighoudt met een zwaar historisch onderwerp, houdt
hij nog altijd vast aan dezelfde vuistregels: Gij zult uw publiek
niet vervelen. Hirschbiegel is ook gezegend met een uitstekende
cast: Bruno Ganz is volstrekt overtuigend als Hitler – zonder ooit
naar sympathie te hengelen, zonder van het grote Duitse monster
iets meer te maken dan wat hij was, weet hij een Adolf neer te
zetten die volledig overtuigd is van z’n eigen gelijk. Hitler was
voor de rest van de wereld een van de grootste criminelen uit de
geschiedenis, maar volgens z’n eigen logica was hij een verraden
idealist. Ook de andere acteurs hebben die truc begrepen: je krijgt
al die mensen te zien vanuit hun eigen denkwereld. Magda Goebbels
vindt het niet abnormaal om haar kinderen te vermoorden – waarvoor
moeten ze nog leven? Waanzinnigen vinden zichzelf gewoonlijk niet
gek en het is zo dat ze in beeld gezet worden door een resem
acteurs wiens moed je wel moet bewonderen. Wat als Bernd Eichingers
scenario minder nadruk legde op de onmenselijkheid van het regime?
Wat als de film geflopt was? De acteurs hadden er mooi
gestaan.

Dat alles neemt niet weg dat er bepaalde gebreken in de film
zitten: tijdens het eerste uur zien we hordes generaals de bunker
in- en uitlopen, zonder dat we een duidelijk idee krijgen wie wie
is. Die constante vloed aan militairen in noodvergaderingen zal er
in het echt ook wel geweest zijn, maar voor de kijker zorgt ze
regelmatig voor verwarring. Elke historische film moet bepaalde
zaken vereenvoudigen, en in dit geval had Hirschbiegel dat rustig
mogen doen, zodat we sneller konden concentreren op de
hoofdpersonages (Hitler, Braun, Goebbels en natuurlijk de
secretaresse, Traudl Junge). Ook last hij een nevenplot in rond een
kindsoldaatje, Peter, die nogal ongemakkelijk in de rest van de
film geplaatst is. Je ziet wel in waar die verhaallijn voor nodig
was: het gaat niet enkel om de gebeurtenissen in de bunker, maar om
de ondergang van Berlijn, en door Peters belevenissen te volgen,
krijgt Hirschbiegel een kans om die te tonen. Maar ondanks ook weer
een doorleefde acteerprestatie van de jonge Donevan Gunia, krijgen
deze scènes toch nooit de slagkracht die ze nodig hadden.

Maakt niet zoveel uit: ‘Der Untergang’ had misschien wat meer focus
kunnen gebruiken, maar het blijft een zeer sterke, geloofwaardige
enscenering van een menselijk monster dat brullend in z’n eigen hel
neerstort. Het is goed dat Duitsers deze film hebben gemaakt: als
ze op deze manier verdergaan met hun oorlogstrauma van zich af te
filmen, kunnen we nog knappe dingen te zien krijgen.

http://www.a-film.nl/deruntergang/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in