National Treasure




Eindelijk nog eens een film die net zo dom is als hij eruit ziet:
zelfs de poster voor ‘National Treasure’ schreeuwt uit dat dit een
domme, volstrekt ongeïnspireerde ‘Indiana Jones’-imitatie zal
worden, en wat hebben ze er van gemaakt? Verdomd, het is een domme,
volstrekt ongeïnspireerde ‘Indiana Jones’-imitatie. Net nu Nicolas
Cage zich de laatste jaren stilletjesaan uit het moeras van slechte
actiecinema aan het verheffen was, met rollen in films zoals het
briljante ‘Adaptation’ en het zeer
verteerbare ‘Matchstick Men’, valt
de man met het lijzigste spraakpatroon van de noordelijke VS terug
in de val van grof geld, grote budgetten en imbeciele
scenario’s.

Cage speelt Ben Gates, de laatste telg van een rijke familie
historici en avonturiers. Gates is al zowat z’n hele leven op zoek
naar een legendarische schat, die sinds de tijd van de oude
Egyptenaren verschillende keren van eigenaar is veranderd en
sindsdien steeds in omvang is blijven toenemen, tot hij ondenkbare
proporties aannam. De laatste schatbewaarders blijken zowaar de
Amerikaanse founding fathers te zijn (Washington, Franklin
enzovoort), die de rijkdommen ergens verstopten en vervolgens een
uitgebreid netwerk aan hints achterlieten voor de gelukkige vinder.
Gates komt te weten dat er een schatkaart werd achtergelaten,
geschreven in onzichtbare inkt, op de achterzijde van de
Onafhankelijkheidsverklaring. Met de hulp van een stuntelige
techneut (de obligate comedy sidekick-diensten worden
waargenomen door Justin Bartha), een experte in allerhanden oude
rommel met de onwaarschijnlijke naam Abigail Chase (Diane Kruger)
én zelfs zijn vader (Jon Voight), gaat Gates op pad om de
verklaring te stelen en verder op zoek te gaan naar de schat. Hij
wordt hierbij tegengewerkt door de standaard slechterik met het
Britse accent (Sean Bean) en op de hielen gezeten door FBI-agent
Harvey Keitel.

Er is een scène, ongeveer halverwege de film, waarin Voight tegen
Cage zegt: ‘De schat bestaat niet. Je vindt alleen sporen die naar
nog meer sporen leiden, tot in het oneindige.’ Een prent als
‘National Treasure’ beoordelen op z’n scenario is natuurlijk mikken
voor een open doel, maar met die tekst legt Voight wel meteen z’n
vinger op een bijzonder zere wonde. De gehele cast wordt immers
twee uur lang constant van hot naar her gestuurd, ze lopen half
Washington en New York af, enkel om nóg maar eens een clue
te vinden die hen naar een andere locatie leidt. Het netwerk aan
sporen en aanwijzingen dat de stichters van de VS achterlieten is
zo uitgebreid, dat je je op den duur gaat afvragen wanneer die
mensen nog tijd hadden om een natie op te richten. Een briefje op
een schip leidt naar de Onafhankelijkheidsverklaring, die leidt
naar een stel brieven, die leidt naar een locatie, die leidt
naar… En zo gaat dat maar door. Ongeveer een uur lang is dat nog
leuk, daarna gaat het steeds meer op de zenuwen werken. Zelfs
Justin Bartha krijgt het er uiteindelijk van op z’n heupen: ‘Waarom
kunnen die gasten nu niet gewoon een briefje achterlaten: “Dààr
ligt de schat, veel plezier ermee?”‘ Een goeie vraag – in sé is er
niets mis met een film rond een speurtocht, maar je moet wel het
gevoel krijgen dat er op z’n minst wat vooruitgang wordt geboekt.
In ‘National Treasure’ blijven de personages in wezen de hele tijd
ter plaatse trappelen. Hadden Bruckheimer en regisseur Jon
Turtletaub gewild, ze hadden hier een film van zes uur van kunnen
maken – daarvoor hadden ze alleen extra tussenstops, extra hints
moeten voorzien.

Dat het verhaal vol zit met kleine en grote ongeloofwaardigheden,
spreekt voor zich. Zo vinden onze olijke vrienden aan het begin van
de film een schip dat al 200 jaar lang is vastgevroren in een
onmetelijke sneeuwvlakte, maar Cage graaft ongeveer één meter losse
sneeuw weg en het ding komt bloot te liggen. Soms gaat alles nu
eenmaal makkelijker dan je denkt. Ook het stelen van de
Onafhankelijkheidsverklaring en het binnendringen in verscheidene
historische gebouwen gaat de helden van ons verhaal
verbazingwekkend goed af – de beveiliging in die plekken laat echt
te wensen over. Maar dat soort van onnozelheden dien je erbij te
nemen, veronderstel ik. Veel erger is de manier waarop Turtletaub
met de regelmaat van een klok probeert om een lesje Amerikaanse
geschiedenis in z’n film te verwerken: de hoofdpersonages doen
zowat alle historische trekpleisters van Washington aan, en bij
elke halte krijgen we wel de één of andere wetenswaardigheid te
horen. Typische dialoog: ‘Hoe wist je wat deze cryptische boodschap
te betekenen had, o wijze Ben Gates?’ – ‘Wel, in 1789 heeft Ben
Franklin…’ En zo zijn we weer vertrokken voor een lezing van vijf
minuten uit hoofdstuk elf van de verplichte cursus American
history
van het middelbaar onderwijs.

Bruckheimer en Turtletaub hebben goed gekeken naar Spielbergs werk
in ‘Indiana Jones’, vooral het laatste hoofdstuk uit die serie,
‘The Last Crusade’ – we krijgen Cage’s vader in een (min of meer)
komische bijrol, het opvolgen van mysterieuze boodschappen (hoewel
die in ‘The Last Crusade’ wél ergens toe leidden), geheime
genootschappen die de schat dienden te beschermen en zelfs een
gelijkaardige finale, waarin Diane Kruger boven een afgrond hangt
te bengelen aan de klammige pollen van Nicolas Cage. Waar het
‘National Treasure’ echter duidelijk aan ontbreekt om zelfs maar
aanspraak te maken op de titel van volwaardige rip-off, is een
geloofwaardige schurk. Sean Bean straalt ongeveer evenveel dreiging
uit als een verloren gelopen padvinder en verdwijnt om de één of
andere reden uit de finale van de film – er komt dus géén
climactische stand off tussen de goeien en de slechten. Een
welgemeend what the fuck is hier dan ook op z’n
plaats.

De acteurs doen wat ze kunnen met het materiaal, maar met de
uitzondering van Diane Kruger (die zich hier, net als in ‘Troy’, zeer mooi laat belichten maar voor
het overige pijnlijk weinig acteertalent toont), zijn ze simpelweg
te goed voor deze film. Acteerkanonnen als Harvey Keitel en Jon
Voight slaapwandelen hier doorheen, onderweg naar de bank. Cage
zelf probeert af en toe wat flair in de film te werpen, maar het
blijft een onbestaande rol, een vehikel om de actie op gang te
trekken.

‘National Treasure’ een slechte film noemen, zou misleidend zijn –
hier zit niets in dat u niet had kunnen zien aankomen, en het
doelpubliek zal het wel weer fantastisch vinden. Bovenal is het een
verwaarloosbare prent. Er is geen enkele reden om hiernaar te gaan
kijken, u ként het immers al. Alle aanwijzingen, alle clues
leiden in dezelfde richting: een andere cinemazaal.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in