Podium




Niet dat ik vies ben van een stukje kitsch op tijd en stond – de
dvd van ‘Moulin Rouge’ is stilaan
stukgedraaid en familieleden slaan spontaan op de loop wanneer ik
begin te citeren uit ‘The Rocky Horror Picture Show’ – maar zoals
dat altijd het geval is, zijn er zeer subtiele grenzen aan wat je
kunt doen in een film zonder te ver te gaan. ‘Podium’ bijvoorbeeld,
hangt aan elkaar van de glinsterende discoballen, glitterkostuums,
psychedelisch aandoende pruiken en rotslechte muziek (Claude
François, God help ons!), maar waar ik normaal gezien op de eerste
rang zou zitten om dit soort orgie aan smakeloosheid over me heen
te laten gaan, was er ditmaal toch iets dat me niet helemaal lekker
zat.

Benoît Poelvoorde, ooit nog een seriemoordenaar in ‘C’est Arrivé Près De Chez Vous’, speelt
Bernard Frédéric, een saaie bankbediende die vroeger schnabbelde
als Claude François-imitator, maar die hobby heeft moeten opgeven
toen hij trouwde. Sindsdien kan hij zijn obsessie met Cloclo enkel
nog uitleven in z’n kelder, waar hij – o zaligheid der zaligheden –
de echte telefoon van ‘Le Téléphone Pleure’ bewaart. Op een dag
ziet hij een reclamespotje voor een soort veredelde soundmixshow op
tv en besluit hij dat hij z’n passie lang genoeg heeft moeten
onderdrukken: hij stoft z’n oud discopakje af, zet een pruik op z’n
kop die verdacht veel gelijkenissen vertoont met een dood
schoothondje, en begint zich voor te bereiden op een laatste
uitspatting als Claude François.

Laat ons even zeer duidelijk zijn: Claude François maakte slechte
muziek. We hebben het hier over de persoon die via z’n liedje
‘Comme D’habitude’ rechtstreeks verantwoordelijk is voor de
vijfduizend versies – allemaal even verschrikkelijk – van ‘My Way’
die elke begrafenis nog een beetje triester maken. De man die
‘Alexandrie, Alexandra’ zong en gelijk een hele generatie
discogangers tot de drank dreef. Meer dan dat, de man stierf toen
hij een lampje wilde vervangen terwijl hij in een bad stond – dan
ben je ofwel een zelfmoordenaar (fair enough, in dit geval),
ofwel gewoon een hele domme lul. Nee, Claude François zegt me niet
zoveel, hij was een man die kitsch produceerde zonder enige
amusementswaarde, en niets is zo droevig als dat. Dat is hetzelfde
verschil als dat tussen Nicole en Hugo (hilarisch!) en Jo Vally
(vreselijk!).

Een film over een man die op een ziekelijke manier met François
bezig is, was dus vanaf het begin een riskante onderneming.
Regisseur Yann Moix is in ieder geval trouw aan z’n uitgangspunt en
legt de kitsch er vingersdik bovenop: ‘Podium’ is van begin tot
eind opgetrokken uit felle kleuren die flink met elkaar vloeken
(dat huis waar Poelvoorde in woont!) en zowel de kostuums als
belichting lijken ontworpen te zijn door een vluchteling uit een
slechte drag queen-show. Zo hoort het ook, veronderstel ik,
als je over een dergelijk onderwerp een film draait. Het stoort me
niet dat alles aan ‘Podium’ fake is, dat het klettert van het
klatergoud, of dat de muziek… ik zou zeggen “dat de muziek slecht
is”, maar dat dekt de lading niet eens. De muziek is Claude
François
. Dat kan me allemaal niet schelen, dat is nu eenmaal
eigen aan het thema. Maar als je dat allemaal gaat doen – een
lelijke film met een soundtrack die niet om aan te horen is – dan
mag er ook wel een sterk idee achter zitten, een punt waar de
filmmakers naartoe werken, zodat het niet enkel kitsch om de kitsch
is. En dat kon ik hier niet terugvinden.

In opzet had Moix met ‘Podium’ een verhaal kunnen vertellen over
een uitgebluste veertiger die in een midlife-crisis verzeild raakt
en doet wat hij kan om nog éénmaal te schitteren. De fundamenten
voor een dergelijk verhaal zijn er, en af en toe krijgen we een
scène die in die richting lijkt te wijzen. Bernard die na een
mislukt optreden bijvoorbeeld een uitval doet tegen z’n publiek:
‘Denken jullie dat Cloclo nooit gevallen is? Natuurlijk wel. Het
punt is dat hij ook weer rechtstond.’ Tijdens dat soort van scènes
zien we wat ‘Podium’ had kunnen zijn – een tragikomisch verhaal
over een gevoel dat iedereen wel kent. Iedereen wil toch wel eens
schitteren, iedereen droomt er toch van om met grote letters
aangekondigd te worden op een enorme affiche? Maar Moix lijkt een
beetje bang te zijn om resoluut die richting in te gaan, en stuurt
z’n film dan ook telkens weer de kant van de farce in. Telkens we
Bernard een beetje beter leren kennen als een onaangenaam heerschap
dat koste wat het kost z’n doel zal bereiken, remt de regisseur af,
trekt hij z’n klauwen in, om snel maar weer een kitscherige
dansscène of een komische noot toe te voegen.

En als klucht schiet ‘Podium’ duidelijk te kort – in essentie is
dit een one joke movie, een film waarin men u vraagt om
anderhalf uur lang te lachen met Benoît Poelvoorde die de
moves van Claude François imiteert. Het probleem is niet
zozeer dat dat niet grappig is, als wel dat het niet genoeg is om
een hele film aan op te hangen. Tegen de tijd dat de prent
halverwege is, heb je het stilaan al wel gezien. Het enige dat er
dan nog overblijft, is nog meer kitsch, nog meer schreeuwlelijke
decors en kostuums.

En toch is er één goeie reden om te kijken: Benoît Poelvoorde. De
Belgische acteur gooit zich met z’n volledige gewicht in z’n rol en
brengt een ongelooflijk gevoel van energie naar de film. Hij staat
zich zichtbaar te amuseren tijdens z’n optredens, in die mate zelfs
dat een deel van dat gevoel wel moét overslaan naar het publiek.
Poelvoorde draagt op z’n eentje moeiteloos de hele prent; hij geeft
een theatrale, soms bijna uitzinnige vertolking die toch nergens de
grenzen van het aanvaardbare overschrijdt. ‘Podium’ zonder
Poelvoorde zou nauwelijks te bekijken zijn. Mét hem is en blijft
het een genietbaar filmpje, dat evenwel nergens over gaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in