Kassablanka




In 1995 maakte Eddy Terstall ‘Walhalla’, een anti-racismefilm die
bulkte van de nobele intenties, maar te naïef en ongeloofwaardig
was om echt iets zinnigs over het onderwerp te kunnen meedelen. Het
enige memorabele aan die prent was de muziek van Raymond van het
Groenewoud. Ondertussen is het thema er echter nog niet minder
actueel op geworden – toen de in Antwerpen gebaseerde filmmakers
Guy Lee Thys (eerder al de scenarist voor Erik Van Looy’s ‘Shades’)
en Ivan Boeckmans in 2002 op de proppen kwamen met ‘Kassablanka’,
een “modern Romeo en Julia-verhaal over interraciale liefde in een
migrantenwijk”, was mijn aanvankelijke reactie er één van: “Dat
heeft ook lang genoeg geduurd.” De Walen hebben de gebroeders
Dardenne om hun sociale problemen in kaart te brengen – waar bleven
de Vlaamse tegenhangers daarvan? Thys en Boeckmans hebben niet de
waardering gekregen van de Dardennes (hun camera bibberde niet
genoeg, blijkbaar), maar ze ondernemen een ernstige poging om een
eerlijke film te maken over het steeds groeiende racisme in
Vlaanderen in het algemeen en Antwerpen in het bijzonder. Dat moet
ergens voor tellen. In de bioscopen werden sommige voorstellingen
door migrantenjongeren op hun kop gezet – bezoekers kregen bekers
popcorn en cola naar hun hoofd geslingerd en werden uitgescholden.
Tijdens bepaalde scènes werd er luidop gejoeld en getierd naar het
scherm en de rest van het publiek. Dan mag je van ‘Kassablanka’
zeggen wat je wil, maar hij heeft duidelijk een zenuw
geraakt.

De film speelt zich af in een nogal troosteloze, fictieve wijk in
Antwerpen, die Kassablanka wordt genoemd, tijdens de week voor
Zwarte Zondag, op 8 oktober 2000. 33 procent van alle Antwerpenaren
stemden die dag op het Vlaams Blok, een ongeziene overwinning voor
extreem-rechts in ons land. In Kassablanka, een regio opgetrokken
uit lelijke woonkazernes die verdacht doen denken aan de Luchtbal
of bepaalde delen van Linkeroever, vinden we een onzalige mix terug
van Islamitische immigranten en blanke arbeiders die er over het
algemeen weinig genuanceerde standpunten op nahouden over de
“makakken”, “tjoek-tjoeken” of “bruinbekken” van enkele deuren
verder.

Berwout is de zoon van een overtuigde Vlaams-nationalist die z’n
eigen teleurstellingen in het leven continu afreageert op de
Marokkaanse bevolking – het soort man die ertoe in staat is om in
z’n trappengang luidkeels “Wir fahren gegen England” te staan
kwelen. Berwout zelf lult maar mee met de rest van z’n familie –
hij draagt badges met “white power” erop, noemt z’n hond Wodan, dat
soort dingen. Maar wanneer hij Leilah ontmoet, de dochter van een
conservatieve moslim, mét hoofddoekje en al, kan hij z’n
vooroordelen toch niet in stand houden.

Rond die centrale romance tussen een Belg en een Marokkaanse (nuja,
ook zij heeft de Belgische nationaliteit, maar u begrijpt wat ik
bedoel), wordt een schets gegeven van het soort mentaliteit dat
ertoe leidt dat het Blok met elke volgende verkiezing meer stemmen
vergaart. Een neef van Berwout is hardcore skinhead, die ervoor
leeft om Moslims, homo’s en al wie niet thuishoort in zijn
bekrompen visie van de wereld, in elkaar te rammen. Zijn zus doet
weinig minder dan zich prostitueren om aan drugs te raken. Maar aan
de andere kant van het spectrum zien we de al even verlammende
dogma’s van een doorgedreven moslimfundamentalisme – Leilah’s vader
heeft bezwaren tegen zowat àlles dat het leven enigszins leuk
dreigt te maken, inclusief muziek, televisie en film. Wie goed
luistert naar de conversaties die hij voert met z’n broer (Leilah’s
oom, dus), hoort tussen de regels door ongelooflijk haatdragende
praat tegen de joden. Leilah’s broer is een typische angry young
man
, die gelooft dat iedereen hem viseert en dan ook wild om
zich heentrapt.

Dat is één van de meest interessante aspecten van ‘Kassablanka’:
iedereen is even schuldig. Beide kanten zijn stekeblind voor
elkaars behoeften en gevoelens. Continu worden er parallellen
getrokken tussen de levenswijzen van de Belgen en de Marokkanen,
zodat we ons moeten afvragen: wat is nu het wezenlijke verschil? De
film opent op een zondag – de familie van Berwout kruipt collectief
voor de tv, de vader van Leilah wil zelfs geen radio horen omdat
hij moet bidden. Het leven lijkt in beide gevallen fundamenteel aan
hen voorbij te gaan. Berwouts vader vloekt op de manier waarop
moslims hun vrouwen verplichten een hoofddoek te dragen, maar
veroordeelt zijn eigen echtgenote ondertussen tot een leven achter
de strijkplank en de kookpotten – op een bepaald moment zegt hij
simpelweg: ‘Kom Marina, laat de afwas maar staan tot morgen, we
gaan slapen.’ En zo gebeurt het ook – vanuit welk verheven
standpunt moet hij dan lesjes gaan geven over de waardigheid van de
vrouw in de samenleving? Berouwts neef en een paar van zijn
neo-nazi vriendjes slaan een dronkelap in elkaar, gewoon voor de
fun. Daarna komt Leilah’s broer hem tegen – hij biedt de man aan om
een ambulance te bellen, maar wanneer de gelegenheid zich voordoet,
steelt hij snel 500 frank uit z’n portefeuille. De waarheid ligt
complexer dan zowel extreem-rechts als extreem-links het zouden
willen voorstellen, en Thys en Boeckmans schijnen dat zeer goed te
beseffen. De regisseurs bieden ook geen simplistische oplossingen
voor het probleem: de film eindigt op Zwarte Zondag zelf, zonder
dat er iets wezenlijks is veranderd. Maar als herformulering van de
problematiek op zichzelf heeft ‘Kassablanka’ absoluut z’n waarde,
omdat de film een zeer lucide, geïnformeerde blik op de problemen
biedt.

Dat neemt niet weg dat een aantal scènes en dialogen nogal plat
overkomen – Berwouts’ zus laat zich door een dealer in haar kont
neuken, om vervolgens achterover te zakken in de kussens, een paar
lijntjes te snuiven en met een hevig Antwerps accent te zeggen:
‘Ik weur doar keeeiiigeil van!’. Nou nou. Wat later treffen
we een poetsdame aan die een schier eindeloze monoloog afsteekt
over schurkachtige Moslims met lange neuzen en “puttekes in hun
gezicht” – ze hebben die winkel van hierachter zeker twintig keer
overvallen, jazeker. Was dat dan geen frauduleus faillissement?
Mja, wie weet, dat kan dan wel zijn, maar toch, die Marokkanen…
Je moet ze me niet leren kennen. Dàt soort toestanden – die figuren
zullen waarschijnlijk wel bestaan, maar ze zijn een zodanig cliché
geworden dat je ze nauwelijks nog in je film kunt stoppen zonder
een zucht van ergernis uit te lokken.

Voor het overige moet ik, als inwoner van de schone stad Antwerpen,
echter toegeven dat heel wat van de situaties in ‘Kassablanka’
behoorlijk dicht tegen de werkelijkheid aanschurken. Met een
innemend koppel in de hoofdrollen (Roy Aernouts en Babett Manalo),
een relevante, goed uitgebalanceerde thematiek en buiten de minder
geslaagde scènes ook meer dan genoeg rake observaties om in ieder
geval elke Antwerpenaar een kleine schok van herkenning te geven,
is dit een film die het verdient om gezien te worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in