Nuovo Cinema Paradiso

Er zit een prachtige scène in ‘Cinema Paradiso’, waarin de
dorpelingen van een onooglijk gehucht in Sicilië al drie uur hebben
staan wachten voor de gesloten deuren van een klein bioscoopje,
enkel om tenslotte te horen te krijgen dat er geen extra vertoning
meer zal volgen. In hun protest roepen ze naar de bovenverdieping
van de cinema, naar Alfredo de projectionist, om er iets aan te
doen. Alfredo verplaatst het glas voor de projector, zodat het
beeld weerkaatst wordt naar buiten, levensgroot geprojecteerd op de
muur van één van de omliggende gebouwen. Het volk is verrukt en
allemaal samen gaan ze zitten om te genieten van de film. De magie
van het medium is wellicht nooit mooier uitgedrukt dan in deze
scène. De idee dat film iets is dat mensen kan samenbrengen in een
enkele emotie, door iedereen gedeeld, komt hier op een prachtige
manier uit naar voren. De muziek van Ennio Morricone, het bezadigde
hondengezicht van Philippe Noiret en dan die oude zwart-wit beelden
waar iedereen naar opkijkt – meer heeft een mens soms niet nodig om
zich te herinneren waarom hij ooit een filmfanaat is
geworden.

‘Nuovo Cinema Paradiso’ is een warmbloedige, lyrische ode aan die
kracht van de cinema, een semi-autobiografische prent van Guiseppe
Tornatore, die ondertussen de status van klassieker heeft gekregen.
De plot draait rond Salvatore di Silva, een succesvolle regisseur
die woont en werkt in Rome. Op een dag krijgt hij telefoon van zijn
moeder, die hij jaren geleden heeft achtergelaten in zijn
geboortedorpje, met het bericht dat Alfredo is gestorven. Alfredo
was de projectionist van de oude Cinema Paradiso, het plaatselijke
filmzaaltje waar zowat alle dorpsbewoners elke zondag binnenvielen
voor hun wekelijkse portie escapisme. In lange flash-backs zien we
Salvatore als jongetje van een jaar of zes, zeven, kennis maken met
Alfredo, in wie hij een soort van vaderfiguur ziet. De oude man
leert hem de geheimen van het filmprojecteren en terwijl op het
scherm het ene melodrama na de andere thriller zich ontwikkelt,
worden ze steeds betere vrienden.

Tornatore is blijkbaar gefascineerd door de impact die een film kan
hebben op een publiek – de dorpelingen, allesbehalve
gesofistikeerde filmfreaks die elk shot zitten te analyseren, laten
zich helemaal opgaan in de ervaring. We zien hen brullen van het
lachen zodra iemand op z’n kont valt, huilen bij het soort van
pathetische melodrama waar wij tegenwoordig onze neus voor zouden
ophalen, wegduiken voor filmmonsters à la Bela Lugosi. Ze
schreeuwen luidop naar de personages en juichen wanneer de
slechterik z’n bekomst krijgt. Dit zijn mensen die nog niet geleerd
hebben hoe ze blasé moeten doen over een film, hoe ze cynisch
moeten zijn. Ze nemen elke emotie in elke film helemaal letterlijk
en dat zorgt voor een eerlijkheid in hun reacties die we
tegenwoordig niet meer kennen. En Tornatore is daar gek op, hij
geniet er zichtbaar van om dat alles in beeld te brengen. De cinema
wordt als het ware een microkosmos voor de echte wereld – vetes
tussen buren worden stilzwijgend uitgevochten op het balkon,
verliefdheden ontstaan, jongetjes voelen hun eerste hormonale
crisis opkomen bij het vertonen van een streep bloot vlees en
kinderen worden verwekt op de achterste rij. Het bioscoopbezoek
wordt een soort van rite in deze film, die de hele tijd trouwens
gelinkt wordt aan kerkbezoek. Misschien dat er voor Tornatore niet
eens zoveel verschil bestaat – de cinema is zijn kerk.

Zo krijgen we een dorpspastoor die elke week een privé-vertoning
eist van de film die er komende zondag zal spelen. Telkens wanneer
er iets plaatsvindt dat voor hem niet door de beugel kan, rinkelt
hij geestdriftig met een bel – in twintig jaar hebben zijn schapen
nooit een filmkus gezien, maar we krijgen wel zijn eigen gezicht te
zien wanneer hij getuige is van die zondige fragmenten – hij geniet
ervan, jazeker. Bovendien fungeert Salvatore aanvankelijk als
misdienaar, tot hij z’n ware roeping ontdekt en z’n zondagen gaat
doorbrengen in de projectiecabine van Alfredo. Film en religie
worden constant aan elkaar gekoppeld, en waarom niet? Net als het
geloof, heeft film de kracht om mensen hoop te geven, om hen goeie
moed in te praten. Om hen te doen geloven in een happy end. Doet u
er maar rustig meewarig over, maar voor een échte filmmaniak is dat
wel ongeveer het heersende gevoel.

‘Nuovo Cinema Paradiso’ brengt die emoties op het scherm in een van
melancholie doordrenkte film, die bezaaid is met langzame,
betekenisvolle camerabewegingen, vertederende humor en prachtige
muziek. Al wie ooit aan het einde van een film het gevoel heeft
gehad dat hij wakker werd uit een soort van droom, zal perfect
begrijpen waar Tornatore het over heeft – de gedachte dat een film
je helemaal kan wegvoeren naar een plek waar het beter toeven is
dan hier. Voor Salvatore is film zowel escapisme als venster op de
wereld, het is wat hij gebruikt om de wereld te kunnen begrijpen,
om aan het leven een hanteerbare vorm te geven.

Het eerste deel van de film, met de jonge Salvatore, is het beste –
een onbezoedelde liefdesbrief aan de cinema. Dan in het tweede
deel, waarin we de jongen opnieuw tegenkomen als adolescent die
voor het eerst verliefd wordt, laat Tornatore zich toch verleiden
door de mechanismen van een conventionele rites of
passage
-film: Salvatore ontmoet een meisje, kan haar niet
krijgen, gaat het leger in en probeert achteraf om haar terug te
vinden. Hij staat urenlang in de regen voor haar deur te wachten,
schrijft haar mooie brieven die ongeopend weer terugkomen
enzovoort. Dat soort van plotwendingen dienen in de eerste plaats
om ervoor te zorgen dat ‘Cinema Paradiso’ tijdens z’n tweede helft
niet langdradig wordt – Tornatore voelde zich verplicht om nieuwe
elementen aan te brengen die het tempo erin zouden houden. Maar
uiteindelijk zijn ze ook nogal voor de hand liggend – de
liefdesgeschiedenis is tamelijk ongeïnspireerd, en had ook uit één
van de melodrama’s kunnen komen die ze in de Cinema Paradiso zelf
spelen.

Hoe het ook zij, Tornatore slaagt er wel in om de sfeer van de
prent in leven te houden – een sfeer van terugverlangen naar toen,
toen film nog iets te betekenen had, toen de slechterik nog werd
uitgejouwd en de goeien een applaus kregen. Dit is een film die
alle filmfanaten een schouderklopje geeft en hen zegt: “je hebt
groot gelijk. Want kijk eens wat een prachtige kunstvorm het toch
is.” Bij deze.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in