Jean de Florette

Wie dacht dat Quentin Tarantino zonder precedent aan het werken was
toen hij besloot om ‘Kill Bill’ in
twee delen uit te brengen, heeft het mis: in 1986 maakte regisseur
Claude Berri zijn verfilming van het tweeluik ‘Jean de Florette /
Manon des Sources’, van befaamd auteur Marcel Pagnol. Twee films
die niet van elkaar kunnen gescheiden worden, die samen één verhaal
vertellen, maar die met enkele maanden tussentijd werden
uitgebracht aan het einde van ’86 en het begin van ’87. De neiging
blijft evenwel bestaan om Berri’s films als twee afzonderlijke
prenten te blijven beschouwen, omdat een tijdssprong tussen de twee
delen eerder het gevoel geeft dat het hier twee verschillende
verhalen betreft. Niet dus.

Hoe het ook zij, beide films zijn ondertussen bekend geraakt als
klassiekers van de Franse cinema. Yves Montand speelt de pannen van
het dak als César Soubeyran, een rijke landbouwer in de Provence
die zijn fortuin niet enkel heeft verdiend door z’n vakkunde, maar
bovenal ook omdat hij weet hoe hij mensen een kloot kan afdraaien.
Zijn neef, Ugolin (Daniel Auteuil), heeft het lumineuze idee
gekregen om anjers te verbouwen – een handeltje dat behoorlijk wat
geld kan opbrengen, maar ook een permanente toevoer van water
vereist. De aangrenzende lap grond bevat een ondergrondse bron die
zou kunnen dienen, en de Soubeyrans gaan dan ook hun licht opsteken
bij hun gebuur. Een hoog oplopende ruzie eindigt er echter in dat
deze buurman z’n hoofd stoot aan een steen en z’n verwondingen niet
overleeft. Het land, mét de onschatbare bron, gaat nu naar Jean de
Florette, een ver familielid uit de grote stad.

Jean komt, samen met zijn vrouw en jong dochtertje en vervuld van
een tomeloos optimisme, naar de Provence om zijn geluk te beproeven
als boer. Met zijn moderne ideeën over de landbouw en de eindeloze
stapel boeken die hij meeheeft, is hij er zeker van dat hij binnen
de vijf jaar binnen is voor de regen. Maar dat is dan buiten de
Soubeyrans gerekend – Ugolin en zijn peetvader hebben de waterbron
dichtgemetseld en Jean weet niet dat er één is. De lange, hete,
terminaal droge zomer gooit dan ook al Jeans plannen aan duigen en
drijft hem hoe langer hoe meer in de richting van de waanzin.

Een belangrijk thema in ‘Jean de Florette’ is de tegenstelling
tussen de grootsteedse en de landelijke mentaliteit. Jean wordt
achterdochtig, zelfs vijandig bekeken door de dorpsbewoners, mensen
die al jaar en dag volgens aloude traditie hun producten telen. Zij
besturen hun boerderij gebaseerd op algemeen aanvaarde wijsheden,
spreuken die zo van een almanak komen en zelfs bijgeloof. Wanneer
Jean, met z’n verfijnde manieren, z’n chique accent en z’n
intellectuele moderne ideeën daar komt binnengewaaid, zien ze hem
liever gaan dan komen. Aanvankelijk lachen ze met zijn methodes –
tot ze blijken te werken.

De enige reden waarom Jean niet succesvol is met z’n boerderij, is
door de manier waarop hij wordt tegengewerkt door de Soubeyrans.
Als hij z’n bron had kunnen gebruiken, was z’n oogst ongetwijfeld
geslaagd, had hij z’n plannen exact kunnen uitvoeren zoals hij dat
voorzien had. Alleen de vijandigheid, de hebzucht van zijn omgeving
stort hem in z’n ongeluk. De rest van het dorp is medeplichtig door
hun stilte – ze wéten dat er een bron is, maar ze zeggen niks. Af
en toe volgen we een conversatie in de dorpskroeg – het onderwerp
wordt voorzichtig aangesneden, maar uiteindelijk halen ze toch maar
hun schouders op: wat gaat het ons tenslotte aan? En op die manier
drijven ze een man willens en wetens naar de armoede en zelfs
waanzin.

Berri filmt dat alles op een prachtige manier – met rijke kleuren
en langzame, lyrische camerabewegingen weet hij elk laatste
druppeltje uit de natuuromgeving te persen. Je voélt de warmte zo
van het scherm slaan. De boerenstiel is een harde, en een
aanzienlijk deel van de speelduur wordt dan ook doorgebracht met
hard labeur – zwetende mannen die in de blakende zon in de grond
zitten te wroeten, of die over en weer gaan met emmertjes water om
toch maar een beetje te kunnen besproeien. Dat fysieke aspect wordt
enorm effectief weergegeven en helpt om de film geloofwaardiger te
maken – de indruk die je krijgt, is dat dit mensen zijn die weten
waar ze mee bezig zijn, niet zomaar acteurs die op een veld zijn
gaan staan en pretenderen dat ze iets van de boerenstiel
afweten.

Montand is een genot om bezig te zien als ouwe smeerlap; zijn ogen
lijken te fonkelen met een haast jeugdige ondeugd telkens wanneer
hij nieuwe manieren bedenkt om Jean het leven onmogelijk te maken.
Daniel Auteuil is evenzeer indrukwekkend als Ugolin, een man die,
ondanks zichzelf en z’n ambities, toch een oprechte vriendschap
gaat voelen voor Jean. Er zijn scènes in de film waarin Ugolin, op
aandringen van z’n oom, Jean moet voorliegen om hem verder in de
stront te duwen – maar let op Ugolins gezicht. Hij doet dit niet
graag, het wringt bij ‘m. Het trio aan hoofdacteurs wordt afgemaakt
met de immer betrouwbare (wanneer hij Frans mag spreken, dan toch)
Gérard Depardieu, die hier als een wervelwind over het scherm
raast. Aanvankelijk dronken van z’n enthousiasme om een nieuw leven
als landbouwer te beginnen, daarna alleen nog maar dronken, is hij
een bom aan energie. Waar nog bijkomt, dat Jean zich dient uit te
drukken in nogal uitvoerige dialogen – het soort van dialogen die
volgens Pagnol passen bij iemand “van de stad”. In de mond van
mindere acteurs zouden die woorden allicht geforceerd klinken, té
breedsprakerig, maar Depardieu weet er een achteloosheid aan mee te
geven – Jean de Florette is niet iemand die probeert om protserig
te klinken… Hij spreekt gewoon zo.

‘Jean de Florette’ is, zeker samen gezien met z’n tweede deel, een
prachtig werkstuk over de manier waarop eenvoudige hebzucht kan
leiden tot de vernieling van alle vooruitgang en van nieuwe ideeën.
Maar meer dan dat is het cinema in z’n zuiverste vorm: prachtige
beelden die gebruikt worden om een goed verhaal te vertellen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in