The Texas Chainsaw Massacre




Eigenaardig hoe de realiteit soms de fictie kan volgen. De
originele ‘Texas Chainsaw Massacre’, uit 1974, ging over een maniak
die onschuldige mensen achterna zat met een kettingzaag en
vervolgens een pak aan elkaar naaide uit hun huid. Deze remake,
geregisseerd door Marcus Nispel, is een film die alles aan stukken
rijt wat het origineel spannend, opwindend en interessant maakte,
en vervolgens de resulterende flarden aan elkaar naait in de hoop
dat er een samenhangend resultaat zal volgen. Maar net zoals
Leatherface nooit modeprijzen gewonnen zou hebben voor zijn
vleessmoking, is deze nieuwe ‘TCM’ een afzichtelijk, gemutileerd
monster van een film. Angstaanjagend? Reken maar. Maar niet om de
reden die de makers voor ogen hadden.

Vijf jongeren (drie jongens en vier borsten waar schijnbaar
geheel toevallig twee meisjes achteraan huppelen), reizen anno 1973
met hun Scooby-Doo busje het platteland door, onderweg naar een
concert van Lynyrd Skynyrd. Onderweg pikken ze een derde meisje op,
dat volkomen in shock, zwaar uitgedroogd en met een bizar kapsel
over de weg strompelt. Veel aanspraak krijgen ze niet van haar, en
voor ze weten wat ze met de jongedame moeten aavangen, jaagt zij
zichzelf een kogel door het hoofd.

Op dat moment is het tijd voor hét money shot van de
film, het moment waarop je Marcus Nispel zichzelf een klopje op de
rug hoort geven omdat hij dat toch zo goed bedacht heeft: de camera
beweegt achteruit, door het kogelgat in het hoofd van het meisje
heen, door het gat in de achterruit van de wagen, en zo helemaal
naar buiten, tot de we auto volledig in beeld zien. Bij mijn weten
is dit de eerste keer dat we een shot krijgen dat door een
kogelwonde heen beweegt, en dat is geen primeur om trots op te
zijn. Wat denkt een regisseur nu eigenlijk als hij zoiets ineen
steekt? Dat het slim is? Geestig? In een splatterfilm van Peter
Jackson uit z’n ‘Braindead’-periode had dit misschien nog net
gekund, maar in een horrorfilm die zichzelf zo dodelijk serieus
neemt als deze, komt het enkel onrustwekkend smakeloos over.

Maar goed, de vijf domme tieners proberen dus wanhopig een
politieman te vinden, maar krijgen in het gehucht waar ze terecht
komen enkel af te rekenen met volslagen gesjeesde hillbillies die
er allemaal uitzien alsof hun nonkels ook hun broers zijn, en die
in de kelder een familielid hebben zitten dat er vreemde gewoontes
met kettingzagen en vleeshaken op nahoudt. Enter Leatherface, en we
zijn vertrokken voor meer dan een uur aan gillende leeghoofden die
door een ruim assortiment duistere gangen rennen.

Dat soort film kun je in 2003 simpelweg niet meer maken zonder
er een gezonde dosis ironie aan toe te voegen. In de jaren tachtig
is het slashergenre volledig leeggebloed dankzij de talloze ‘Friday
The 13th’ en ‘Halloween’-films, en sindsdien hebben we ook nog eens
de opkomst van de postmoderne slasherfilm gehad, met titels als
‘Scream’ en ‘I Know What You Did Last Summer’, die zichzelf
gaandeweg parodieerden door de clichés van het genre vrolijk aan te
duiden en er eens goed mee te lachen. En nu komt hier ‘The Texas
Chainsaw Massacre’, die letterlijk àlle conventies van het genre
volgt, maar nergens een hint geeft dat het misschien maar allemaal
bedoeld is om te lachen. Ik heb er in ieder geval maar weinig
bewuste humor in teruggevonden.

Clichés: de schimmen in het duister die voorbijglijden,
vergezeld van een ferme stoot muziek. De bonk op het dak van de
wagen, die enkel een kat blijkt te zijn. De etterachtige jongen die
z’n arm ergens insteekt en doet alsof iets of iemand hem
vastgrijpt, om de rest te laten schrikken. De moordenaar die maar
niet wil sterven. De krappe topjes van de hoofdactrices, dames die
eerder voor hun maten werden gekozen dan voor hun talent. ‘Texas
Chainsaw Massacre’ heeft ze allemaal, en probeert ze ons te
verkopen alsof we ze nog nooit eerder gezien hebben.

Wat nog veel erger is, is dat Nispel niet weet hoe hij een
griezelscène in beeld moet zetten of monteren. In een krampachtige
poging om enige stijl toe te voegen, laat hij alles spelen in
duistere plaatsen, zoals een schuur, een verlaten vleesverwerkend
bedrijf waar je ’s nachts schijnbaar zomaar kunt binnenlopen, of
het huis van Leatherface en zijn liefhebbende familie. Telkens
opnieuw bevinden we ons dus in plaatsen waar door de kieren tussen
het hout heen, felle bundels wit licht naar binnenvallen. Waar komt
dat fel, wit licht buiten vandaan, in het midden van de nacht? Geen
idee, dat hoor je niet te vragen, denk ik. Net zoals je je ook geen
vragen hoort te stellen bij de conditie van de wagen waar onze
helden in rijden. Aan het begin van de film rolt dat karretje
behoorlijk lekker, maar eens de jongeren het ding echt nodig hebben
om te kunnen vluchten, start hij alleen nog maar wanneer het script
dat vereist. Hoe komt het dat die wagen plots niet meer wil
starten? Wel, het blijft natuurlijk wel een slasherfilm, het zou
niet leuk zijn als de slachtoffers weg zouden kunnen rijden voordat
de grote slachting plaats kan vinden.

De hele film lijkt wel gemonteerd met Leatherface z’n
kettingzaag – actiescènes zijn onduidelijk gechoreografeerd en
zodanig verhakkeld in de montagekamer dat het moeilijk wordt om een
duidelijk beeld te krijgen van wat er precies gebeurt. En het einde
is niet alleen ongeloofwaardig (wat heet, in dit soort film), maar
ook gewoon volslagen onzinnig.

‘The Texas Chainsaw Massacre’ weet op geen enkel moment enige
suspense uit te lokken, of zelfs maar enige sympathie voor de
personages die aan reepjes worden gesneden. Het is een
inspiratieloze, strontvervelende body count, waarin je de doden zit
af te tellen, omdat je weet dat wanneer er nog maar ééntje over is,
het bijna gedaan zal zijn. Nog liever een barbecue in het
gezelschap van Hannibal Lecter en Norman Bates, dan deze kwelling
nog eens te moeten uitzitten.

http://www.texaschainsawmovie.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in