Zatoichi




Nog maar zelden een film gezien die zo te lijden had onder een
onfortuinlijke timing als deze nieuwe van Takeshi Kitano. De
onberekenbare Japanner (verantwoordelijk voor zowel gevoelige
drama’s als harde actiefilms), komt hier met een onvervalst martial
arts bloedbad, waarin het bloed van de muren druipt en de ledematen
wild in het rond vliegen. En dàt nog geen twee maanden nadat
Quentin Tarantino ‘Kill Bill’ in de
zalen bracht, het is om problemen vragen, natuurlijk…

Kitano baseerde zijn scenario op een oude Japanse legende, die
tijdens de jaren zestig al de inspiratiebron vormde voor een hele
reeks actiefilms, die u natuurlijk allemaal hebt gezien. Zatoichi
is een blinde, rondtrekkende masseur, die onder zijn verschijning
van schadeloze gehandicapte, een onwaarschijnlijke deskundigheid in
het zwaardvechten verbergt. Zonder zijn tegenstanders te kunnen
zien, verhakkelt hij hen vakkundig tot sushi. Een trucje dat goed
van pas komt, wanneer hij in een dorpje aanbelandt dat genadeloos
wordt uitgeperst door de Ginzo-bandietenbende. Aanvankelijk is
Zatoichi in niets anders geïnteresseerd dan de plaatselijke herberg
en de gokspelen die daar plaatsvinden, maar dan ontmoet hij een duo
prostituées die samen op zoek zijn naar de schurken die tien jaar
geleden hun ouders vermoorden. Zatoichi slijpt zijn zwaard bij, en
besluit de twee dames zowel als het geterroriseerde stadje ter hulp
te komen.

Als verhaal stelt dat maar weinig voor – een soort van kruising
tussen Akira Kurosawa’s films ‘Seven Samurai’ en ‘Yojimbo’ – maar
om het fijngevoelige scenario hoeft u dan ook niet te gaan kijken.
De echte bestaansreden voor ‘Zatoichi’, zijn de gevechtsscènes, en
die zijn af en toe echt wel de moeite. Kitano stopt in navolging
van ‘Kill Bill’, zijn film vol met
het meest absurde, cartooneske geweld, tot op het punt dat de
slapstick zelfs niet ver af is. In één van de actiescènes,
bijvoorbeeld, vecht Kitano met een man bewapend met een bamboestok
(niet echt een gelijke strijd, natuurlijk, maar goed). Met z’n
zwaard snijdt hij die stok in de lengte doormidden, waarna hij
simpelweg die beweging voortzet en gaandeweg de hand van zijn
tegenstander splijt. Een enorme gulp bloed spuit in een boog de
lucht in. Gruwelijk? Nee, niet echt. Wél geestig. En waar precies
het verschil tussen die twee zit, is één van de grote mysteries van
de cinema. Je kunt blijkbaar vrijwel àlles tonen in een film zonder
je publiek te verliezen, zolang je er maar voor zorgt dat de toon
ervan goed zit, dat je de mentaliteit van het publiek maar zo kunt
kneden dat ze er geen bezwaar tegen zullen maken. In het geval van
‘Zatoichi’ is het vanaf het begin duidelijk dat we niets hiervan
ernstig dienen te nemen, het geweld wordt zover doorgedreven dat
het alle kracht om te choqueren verliest.

Tot nu toe hebt u eigenlijk een recensie gelezen die net zo goed
onder de titel ‘Kill Bill’ had
kunnen staan, en dat is dan ook het probleem met ‘Zatoichi’:
Takeshi Kitano doet op zichzelf niet echt iets verkeerd met de
film, het is allemaal erg leuk om naar te kijken. Maar hij maakt
wel exact hetzelfde soort cinema als Tarantino twee maanden
geleden, en het is moeilijk om niet de hele tijd aan die andere
film te zitten denken. De scène in de goktent, de climax… Het is
goed gedaan, knap in beeld gezet, maar ondertussen zie je de scènes
in The House of the Blue Leaves uit ‘Kill Bill’ nog eens voor je ogen, en je
bedenkt hoeveel indrukwekkender die waren. Is het oneerlijk om dat
soort van vergelijkingen te maken? Misschien, maar het soort mensen
dat geïnteresseerd zal zijn in ‘Zatoichi’, zal onvermijdelijk
‘Kill Bill’ al wel gezien hebben en,
willen of niet, dezelfde vergelijking maken. Als recensent dien je
elke film objectief en op zichzelf te bekijken, luidt het dogma, en
dat klinkt allemaal erg mooi – maar films bestaan nu eenmaal niet
in een vacuüm, ze staan altijd in relatie tot wat ervóór en erna
komt.

Daar komt nog bij dat ‘Zatoichi’, ook individueel bekeken, geen
vlekkeloze film is. Kitano maakt gretig gebruik van CGI om z’n
actiescènes bij te fleuren, maar de momenten waarop de computer het
overneemt, zijn vaak pijnlijk duidelijk. Wanneer het bloed weer
eens uit de overgesneden aderen van de één of andere sukkelaar
spuit, zien we de druppels bijvoorbeeld vaak verdwijnen, ergens in
de lucht, zonder dat ze ooit ergens neerkomen. Aan het begin van de
film zien we de punt van Kitano’s zwaard er langs de rug van zijn
slachtoffer weer uitkomen, en op de één of andere manier lijkt dat
uiteinde van het wapen fake. Het valt op dat het
computergegenereerd is, alsof het geen reële omvang en zwaarte
heeft, maar enkel achteraf aan de rug van de acteur werd geplakt.
Misschien is dat een manier van Kitano om het publiek te
distantiëren van het geweld, zodat we het allemaal niet te ernstig
zouden opnemen. Maar het effect dat we krijgen, is dat we
gedistantiëerd raken van de film.

Bovendien vindt Kitano het ook nodig om de – uiteindelijk vrij
banale – plot van de film rijker te maken, door flash-backs toe te
voegen, onder andere naar de jeugd van de beide hoertjes. Allemaal
goed en wel, maar die flash-backs zijn van een heel andere aard dan
de rest van de film. Opeens wordt de toon zwaarder, de scènes zijn
tragisch, er kan plots niet meer gelachen worden. Dat zorgt ervoor
dat deze momenten zwaar uit de toon vallen met de rest van de
film.

Dat alles wilt niet zeggen dat ‘Zatoichi’ geen onderhoudende,
vaak geestige prent is. Geen enkele film waarin tientallen Japanse
boeren aan het einde een tapdans uitvoeren, kan ooit helemaal
slecht zijn. Ik heb me geamuseerd, ik heb gelachen. Maar in
vergelijking met die andere, gelijkaardige film, is het toch zò’n
mager beestje. Echt zonde.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

tien − twee =