Jeroen Janssen :: ”Ik moet afstand nemen voor ik over mijzelf kan schrijven”

Als je op zijn verlegen verschijning zou voortgaan, verwacht je strips met een delicate lijnvoering en bleke kleuren. Niets van dat alles kenmerkt echter de strips van Jeroen Janssen: albums als Muzungu/Sluipend Gif of Klaarlichte Nacht zijn exuberante explosies van kleuren en een vette en kronkelige lijnvoering.

Debuteren deed Janssen in 1997 met Muzungu/Sluipend Gif waarmee hij onmiddellijk de grote prijs van de Haarlemse Stripdagen wegkaapte. Jurylid en scenarist Pieter van Oudheusden zag zijn kans en smeedde een alliantie met dit grafische talent. Sindsdien publiceerde het duo Een Nachtegaal in de Stad en Klaarlichte Nacht.

Mzungu viel vooral op door de keuze van het onderwerp: de Ruandese burgeroorlog en de daaropvolgende genocide. Janssen wist waarover hij sprak: hij woonde en werkte enkele jaren in het land. Na zijn gedwongen terugkeer publiceerde het Hasseltse Wonderland Halvier Productions zijn debuut. Met zijn drieëndertig jaren stond hij in die tijd ook wat vreemd tussen de jonge honden in het ondertussen voorlopig ter ziele gegane striptijdschrift Beeldstorm. Hoe hij in de stripwereld terechtgekomen is?

"Op de middelbare school heb ik een tijdje veel strips gelezen, maar toen ik op Sint-Lukas in Gent begon, was ik zodanig veel met andere dingen bezig dat ik niet meer aan strips toekwam. Zeker niet aan het tekenen ervan. Ik studeerde er vrije grafiek: ik was toen meer bezig met houtsneden en etsen."

"Vervolgens kwam ik met mijn vrouw in Ruanda terecht, waar we vier jaar bleven. Ik gaf er illustratietekenen in een kunstschool en gaf soms ook les over strips. Zo kreeg ik zelf terug zin om strips te tekenen. Na een maand brak de burgeroorlog uit. We zijn gebleven tot de genocide begon in 1994, toen moesten we echt naar huis. "

"Van de genocide zelf heb ik weing meegemaakt: we zaten in een streek waar niet zo veel Tutsi’s waren — al waren ze er wel, er zijn ook veel mensen vermoord. Door de omstandigheden konden wij niet op straat komen en zo beseften we niet goed wat er aan het gebeuren was. Alleen door wat we op de radio hoorden, kregen we een beetje een idee van wat er zich afspeelde. "

"Oorspronkelijk had ik niets met Afrika. Mijn vrouw wel. Die had in Afrika gereisd en ze wou er per se gaan werken. Ik ben haar gevolgd en ben daar dus ook gaan wonen en werken. Sindsdien heb ik er wel iets mee. Het is een plezante mentaliteit. Ooit wil ik er wel terug naartoe gaan, maar op dit ogenblik verdien ik te weinig met hetgeen ik doe om zomaar eens naar Afrika te vliegen. Maar de gelegenheid zal zich ooit nog wel eens voordoen denk ik.

"Ondertussen was ik al aan het eerste verhaal van Muzungu begonnen. Ik heb lang aan die bundel gewerkt. De volledige strip is vier jaar geleden verschenen. Voordien had ik nooit ernstig overwogen een strip te maken. Pas in Ruanda besefte ik dat ik een strip moest maken. Ik heb in mijn tekeningen altijd al veel verteld. Plots zag ik een verhaal in wat er gebeurde en wilde ik daar een strip van maken. Ik was daar ook plots door geboeid omdat een van mijn leerlingen met strips bezig was. En ja, mijn kleurgebruik zal wel een beetje beïnvloed zijn door de kleuren die ik daar gezien heb. Er zijn daar veel meer kleuren dan hier bij ons: het licht is er anders, de kleren zijn er anders en ook de natuur verschilt."

"Uiteindelijk vond ik nog vrij snel een uitgeverij. Ik heb wat rondgekeken en uiteindelijk ben ik bij Wonderland terechtgekomen, waar ik erg enthousiast over ben. Het is een van de weinige uitgeverijen die wat alternatievere dingen uitgeven. Mijn strips lopen goed, geleidelijk aan vooral: ze blijven verkopen. Maar ik kan er niet van leven en mijn uitgever nog minder, vrees ik. Wat het mij opbrengt geef ik uit aan alle onkosten die er bij komen kijken."

"Grote uitgeverijen nemen geen risico’s. Ja, ooit had ik een half voetje binnen bij Casterman. In de Doornikse afdeling werkte één Vlaming en die deed zijn best om Vlaamse tekenaars wat aan te bevelen. Even later werkte hij er niet meer en via de Parijse afdeling ging het helemaal niet. Helaas doet die man nu iets helemaal anders, volledig buiten de stripwereld."

"In het begin werd ik bij de hele Belgisch-Nederlandse small-pressscene ingedeeld, maar eigenlijk voel ik meer verwantschap met het tijdschrift Ink. dan met wat er vroeger was. Wat zij maken staat iets verder dan de meeste small-presstekenaars. Dat ligt volgens mij aan de goede middelen die zij gekregen hebben. Dat vastkrijgen is niet zo evident. Er zijn weinig mensen die in strips willen investeren. Luc van Wonderland is zo’n zeldzaam iemand: die wil investeren in iets waarvan hij op voorhand weet dat het niet gaat opbrengen. Zo iemand heb je nodig. Als er op een dag niemand van dat kaliber meer is, dan gaan zo’n albums of tijdschriften niet meer verschijnen. Ik denk dat het in Vlaanderen moeilijk anders kan gaan, omdat het zo’n kleine markt is."

"Er is inderdaad wel een beetje een stijlbreuk tussen mijn eerste album en de twee volgende. Nu teken ik weer wat meer zoals vroeger, voor ik in Ruanda zat. De verhalen van Pieter lenen zich daar ook toe. Nu zijn we aan een Afrikaans dierenverhaal bezig en daar komen die Afrikaanse kleuren toch weer in terug. Het gaat ove een Afrikaanse haas en is nogal grappig. Het lijkt wat op de Reynaertlegende."

"Ik leerde Pieter in 1997 kennen toen ik voor Muzungu de VSB-prijs kreeg in Haarlem. Pieter zat toen in de jury en zo raakte ik met hem aan de praat. Op de trein hebben we toen eens wat plannen zitten maken. Onlangs ben ik ook weer begonnnen met zelf te schrijven. Ik zou een meer autobiografische strip over mijn tijd in Afrika willen schrijven. Sluipend gif was helemaal niet autobiografisch. Er zaten wel een paar dingen in die ik zelf had meegemaakt, maar de grote lijnen waren helemaal niet persoonljk. Meestal ging het wel om dingen die echt gebeurd zijn, maar met andere personenen. Ik moet eerst wat meer afstand nemen, dan pas kan ik over mijzelf schrijven."

"Met Pieter werk ik meestal strikt gescheiden. Hij schrijft en ik teken. Het gebeurt soms dat ik ideëen terugmail — we werken meestal per mail of per fax — over zijn voorstellen. Soms ontstaat een verhaal uit een wisselwerking tussen ons twee, soms stuurt hij mij een kant en klaar verhaal op en laat hij mij volledig vrij in de uitwerking. Hij schrijft weinig aanwijzingen over de tekeningen, dus heb ik een grote vrijheid. Maar ik voel dat ik in de samenwerking met Pieter toch wel invloed heb. Ik voel mij zeker niet geremd."

"Sommige verhalen veranderden van richting door die wisselwerking: in Een Nachtegaal in de Stad had ik op een bepaald moment een katje getekend omdat ik vond dat dat in het decor paste. Maar voor Pieter vormde dat een probleem omdat dat niet in de rest van zijn verhaal zou passen. Die vrouw kon dan immers onmogelijk haar huis verlaten zonder dat ze iets zou regelen voor die kat. Ik zei tegen Pieter dat ze dat katje dan maar moest meepakken. Wat ze dan ook gedaan heeft. En dat katje is goed terecht gekomen. (lacht)"

"Wat ik belangrijk vind, is dat strip iets persoonlijk vertellen, niet van die gefantaseerde fabeltjes. Er moet iets meer in zitten. Zelfs al haalt Pieter iets uit zijn fantasie, dan probeer ik daar toch iets meer in te steken door de tekeningen of tussen de regels."

"De stijl van mijn tekeningen laat ik altijd bepalen door het verhaal en de sfeer. De verhalen van Klaarlichte Nacht zijn de voorbije twee, drie jaar op verschillende tijdstippen gemaakt en ademen dan ook verschillende sferen uit. We vonden wel dat ze bij elkaar pasten. Het laatste verhaal hebben we speciaal gemaakt met het idee dat we al drie verhalen hadden die bij elkaar pasten. Ik weet eigenlijk niet meer helemaal hoe het gelopen is: ik had veel verhalen liggen, met sommige was ik al bezig, anderen lagen al klaar, zo is het ongeveer gegaan denk ik."

"Het is misschien geen toeval dat het eerste verhaal qua uitzicht doet denken aan middeleeuwse camaieu-houtsneden. Ik had die techniek ook al toegepast aan Sint-Lukas toen ik met houtsneden bezig was. Het is een mooi effect, dat wit op een gekleurde ondergrond. Het is vooral de keuze van kleur of papier die de sfeer van een verhaal bepaalt. Concreet voor het laatste verhaal van de bundel, November, dat zich voor het grootste gedeelte ’s nachts afspeelt in een bos: omdat het dan toch behoorlijk donker mocht zijn en de sterren moesten doorkomen heb ik het op donkerblauw papier getekend."

"Doet het eerste verhaal je wat denken aan Yslaire en Baudoin? Tja, van Yslaire heb ik nog niet zoveel gelezen, maar ik vind hem wel goed. Van Baudoin lees ik bijna alles. Hij is een van de weinige tekenaars die ik echt volg. Ik koop niet zoveel strips. Ik ben zeker geen verzamelaar die alles leest wat uitkomt."

"Soms kan ik erg snel tekenen, soms kan het heel lang duren. Het hangt af van mijn stemming, of ik op dreef ben, of er niet te veel andere dingen in mijn hoofd omgaan… Het kan zijn dat ik zodanig op een prentje aan het zweten ben dat ik er tien versies van kan maken zonder dat ik tevreden ben. Maar soms vliegen de pagina’s er zo uit dat ik op één maand drie pagina’s in potlood heb."

"Ja, soms krijg ik complimenten van collega’s. Het mooiste was dat van Joost Polman van de Haarlemse Stripdagen die iets over mijn eerste album schreef in een boekje over strips over Afrika. Dat ging vooral over de inhoud van het boek en later kreeg ik ook een tekst van Filip Reyntjens, professor en Ruandakenner, onder ogen. Ook hij sprak enkel over het verhaal en niet over de tekeningen natuurlijk. Maar daarover krijg ik soms ook wel eens flatterende vergelijkingen te horen."

"Internationale erkenning? (peinzend) Dat zou mooi zijn. Ik denk dat het nodig is als ik er een beetje inkomen aan wil overhouden. Want het is mooi zo hele dagen zitten tekenen, maar ik heb twee kinderen die naar school moeten en moeten eten. Mijn vrouw werkt wel en ik werk daarnaast ook in een bibiliotheek, maar ik zou wel graag een beetje inkomen uit mijn strips krijgen."

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in