Studenten Sint-Lukas lanceren nieuw striptijdschrift

Een nieuwe spruit is geboren. Iris mag dan wel verdwenen zijn, Striparazzi
opgedoekt en (A Suivre) bij het groot huisvuil gezet, niets kon de jonge honden van de
opleiding beeldverhaal tegenhouden. Sinds begin vorige maand is Vlaanderen dan ook een nieuw
striptijdschrift rijker.

Aan het Sint-Lukasinstituut bestaat sinds een paar jaar een opleiding beeldverhaal. De eerste
lichting is nu afgestudeerd en niet bij de pakken blijven zitten. Samen met docent Johan Stuyck
hebben ze een nieuw striptijdschrift uit de Vlaamse grond gestampt. Ink biedt het vervolg op
het alomgeprezen Demo, waarmee ze hun afstuderen wereldkundig maakten. Het is een soort van
Robbedoes voor grown-ups, een Kuifje voor de hippe twens. Het mag dan ook geen wonder
heten dat ook cartoonist Seb mee in het complot zit. Meer nog: zijn Daan-figuurtje zal de mascotte
van het driemaandelijkse blad worden.

Goddeau: Ink, wat is dat voor beest?
Seb: "Het is wat worstelen geweest om een goeie naam te vinden. Het moest kort zijn,
krachtig en catchy. We zochten dus iets dat uit één lettergreep bestond. Ink
staat zowel voor het materiaal waarmee we werken als voor onze visie. Het staat namelijk ook voor
‘incorporated’, iets dat uit een groep komt, geen solo-project."

Goddeau: Jullie eerste nummer is heel mooi uitgegeven. Een speciale opdruk op de cover,
vierkleurendruk.

Seb: "Gevernist, noemen ze die opdruk. Je kan niet je eerste uitgave gekopieerd en je
tweede superluxueus uitgeven. Het was iets wat we allemaal, zowel wij als de uitgever als de drukker,
eigenlijk heel goed beseften. Nee, je moet een bepaalde stijl ontwikkelen, een indruk maken vanaf de
eerste uitgave. Daarmee moest het erop of eronder zijn. En dat is het gezegende aan onze situatie:
dat we met heel professionele mensen mogen werken. Ze kunnen ons sturen."
     "Financieel steunt het tijdschrift momenteel vooral op goodwill.
Het is een nuloperatie, en eigenlijk zelfs dat niet. De drukker doet het met verlies en de uitgever
werkt vrijwillig. We krijgen van hen vier nummers tijd om ons te bewijzen. Als het blad dan leefbaar
is, willen ze er mee doorgaan. Het is de bedoeling dat die mensen er financieel een beetje aan
uitkunnen. We krijgen kans tot de vierde uitgave om dat gedaan te krijgen. Natuurlijk gaan niet alle
vervolgverhalen abrupt stoppen, we mikken echt wel verder."
     "We weten absoluut niet wat ons te wachten staat. De uitgave kan
zwaar floppen. Misschien moeten we vanaf pakweg nummer drie vaststellen dat geen kat ons boekje koopt.
Aan de andere kant kan het ook heel goed lopen. Je kan dat moeilijk nu al zeggen. Lezers kunnen toch
pas weten wat we voorstellen na het eerste nummer. Samengevat: Ink is voor ons een ultieme kans
om kwaliteit te kunnen uitgeven. Er hangt veel vanaf."

Goddeau: Ink is eigenlijk een uitvloeisel van Demo, het blaadje dat Sint-Lukas
uitgaf als staalkaart van haar eerste lichting afgestudeerden beeldverhaal die bijna allemaal ook in
Ink figureren. Wordt Demo een jaarlijks initiatief?

Seb: "Dat is de bedoeling, maar dat is dan louter vanuit Sint-Lukas. Ink werkt wel
met Sint-Lukasstudenten maar staat volledig los van het schoolgebeuren, zowel organisatorisch als
financieel. Demo zou echt jaarlijks moeten verschijnen, al was het maar om die mensen van
Sint-Lukas de nodige stimulansen te geven. Niets is zo motiverend als aan een uitgave te werken
waarin je jezelf kunt profileren. Dat geldt trouwens niet alleen voor strips, maar ook voor boeken en
films. Demo is gelukt omdat het kwaliteit bracht en ook zo leuk gepubliceerd was op dat
krantenpapier. En doordat het ongelooflijk goedkoop was."

Goddeau: Naast de strips staat er in Ink ook een theoretisch artikel. Willen jullie de
lezer wat opvoeding bijbrengen?

Seb: "Ons idee was om naast de strips ook iets louter theoretisch te brengen. We zijn
immers van de overtuiging dat met de theorie nog altijd de praktijk meekomt en niet andersom. Ook in
strips zijn er — net als bij film — bepaalde maatstaven, begrippen en conventies waar je
rekening mee moet houden. Dingen waar je mee experimenteert, maar waar je je ook tegen kan afzetten.
Dat theoretisch kader is interessant om weten, zowel voor een leek als voor iemand die er
professioneel mee werkt. Natuurlijk kan je in een eerste uitgave niet afkomen met negentig procent
vakjargon. Wat dat betreft, moet je rekening houden met een groeiende lijn, en dus vrij basic starten.
Niet voor niets zijn we begonnen met het personage. In uitgave tien zal Pascal Lefèvre (docent
stripanalyse en stripgeschiedenis, ab/mvs) dan bijvoorbeeld misschien een interessante theorie over
architectuur binnen het stripgebeuren brengen."

Goddeau: Jullie groep bestrijkt een breed terrein van stijlen. Jouw spitse cartoons staan er
bijvoorbeeld naast het wel zeer cryptische werk van Steven Vandenbroucke.

Seb: "Dat heb je natuurlijk als je met een groep mensen werkt. Ik zou bijvoorbeeld nooit
een cartoon plaatsen die mijn moeder niet snapt, terwijl ik mij perfect kan inbeelden dat de moeder
van Steven zijn strips niet begrijpt. Er zijn dus verschillende maatstaven. Gelukkig maar, want als
alles even voor de hand lag, zou de lezer er ook niet zoveel aan hebben. Ik vind dat in zo’n
boekje een ritme moet zitten, je moet er bepaalde mijlpalen in steken: er zijn streamers en er zijn
verhalen die je even doen stilstaan."

Goddeau: Het lang verhaal dat van jou gepubliceerd werd in Demo ging een andere richting
uit dan je cartoons. Komt Seb los van zijn grote voorbeeld Nix?

Seb: "Dat lange verhaal is eigenlijk te wijten aan het feit dat wij binnen Sint-Lukas in
richting beeldverhaal vooral bezig zijn met lange senario’s. Aangezien Demo vanuit
Sint-Lukas gegroeid was, was het voor mij evident dat ik ook zoiets zou doen. Nu, persoonlijk voelde
ik aan dat het niet mijn ding was, maar in de volgende uitgave van Ink — dat kan ik nu al
verklappen — zal toch ook een één-pagina-gag van Daan staan. Ik staar me dus niet
dood op die cartoons van één prentje hoor."
     "Ik hoor wel vaker dat mijn stijl op die van Nix lijkt. Ik gebruik
wel een iets andere vormentaal dan Nix, maar we kleuren allebei met de computer in. Ik vind het ook
absoluut niet erg, ik vind Nix eigenlijk best wel goed. Hij is enorm prestatiegericht, legt de lat
voor zichzelf erg hoog."

Goddeau: Wie is uitgever Johan Stuyck, die in de eerste strip nogal op de korrel wordt genomen?
Wil hij met zijn uitgeverij Oogachtend een speler op de stripmarkt worden?

Seb: "Dat van die strip, dat is maar een cliché-grapje want het is eigenlijk een
heel aimabele mens. Johan Stuyck doceert bij ons op Sint-Lukas het vak ‘Verpakking en
display’. Hij heeft enorm veel verstand van lay-out, van uitgeven. Het is iemand met een enorm
brede visie. Oogachtend zal naast Ink ook dingen van individuele striptekenaars uitgeven. Het
sterke punt is dat zij ook grafisch heel sterk zijn en kwaliteit afleveren. Dat is een groot voordeel
omdat je daarmee een naam creëert."
     "We kijken uit naar het volgende nummer. Vanaf november zouden we
concreet moeten nadenken zodat in januari het nummer in de winkels ligt. Je moet zorgen dat je de lat
hoog genoeg legt en blijft leggen. Er is niets zo erg als een uitgave die bergaf gaat. We hebben nu
een bepaalde tendens gezet en die moeten we trachten aan te houden. Maar als we zo verder doen, kan
het eigenlijk niet anders dan goed draaien."

Goddeau: Sinds zijn opening vier jaar geleden heeft stripwinkel Het Besloten Land het
stripleven in Leuven zowat gedomineerd. Is daar met Oogachtend verandering in gekomen?

Seb: "De stripscene is niet al te groot en we zijn dan ook met Besloten Land-eigenaar
Bart Pinceel aan het praten om de samenwerking tussen zijn eigen uitgeverij Grint en Oogachtend iets
nauwer aan te halen. We moeten zorgen dat we de krachten bundelen in plaats van ze te spreiden. De
toekomst zal uitwijzen in welke mate die samenwerking zal evolueren. Het zou natuurlijk een goeie
zaak zijn, want niet alleen in Leuven maar ook in Vlaanderen mag er gerust gesproken worden van een
revival van de stripscene."
     "Het is in Vlaanderen en Nederland vaak zo dat stripspeciaalzaken
hun eigen uitgeverijtje hebben. En dat is goed want een stripwinkel vormt een zeer belangrijke link
met het publiek. Die weten wat functioneert en wat niet. Dat is voor ons enorm belangrijk, dat we
daar zicht op hebben. Er is niets zo erg als blindelings moeten werken omdat er zoveel mogelijkheden
zijn dat je een verkeerde keuze zou kunnen maken. Een samenwerking met Grint zou dus heel goed zijn
voor beide partijen want Pinceel heeft een enorm zicht op wat reilt en zeilt op stripgebied. Hij kan
een positieve stimulans zijn."

Goddeau: Het is ook een tendens dat de grote stripuitgeverijen sinds de vroege jaren tachtig
geen enkele rol meer hebben gespeeld in de ontdekking of verspreiding van vernieuwende strips. Vormt
dat geen probleem: de groten die niet meer volgen wat er gaande is?

Seb: "Grote uitgeverijen spelen de laatste tijd liever op zeker. En dat is het grote
verschil met mensen die zelf iets oprichten: die vertrekken vanuit een bepaald konsept met een
bepaald doel. Het logische gevolg is dan ook dat ze ook kwaliteit en vernieuwing kunnen brengen. Een
uitgeverij als Standaard daarentegen speelt op safe uit een soort vooringenomenheid en dat werkt in
hun nadeel. Ze moeten een bepaald imago hoog houden, een bepaalde lijn volgen enzoverder. Als je de
capaciteiten hebt om zelf te gaan publiceren, en je niets moet aantrekken van het materiële of het
financiële aspect, als je dat surplus hebt, dan kan het niet anders dan dat je stilletjes aan
vernieuwing voortbrengt."

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in