Samuel Beckett

De clowneske figuren uit Wachten op Godot, Vladimir en Estragon, wachten. Ze wachten op
Godot, weten niet wie hij is noch of hij zal komen. Vladimir is degene die misschien nog de meest
fundamentele vraag stelt: “Que faisons-nous ici, voilà ce qu’il faut se
demander.” Wat doen we hier dus? De woorden ‘faire’ en ‘ici’ verwijzen zowel
naar het hier zijn op aarde als naar de situatie van de opvoering van het stuk. Ergens hebben ze
“geluk” want wat ze te doen hebben is wachten. Er is hoop én onzekerheid.

Nobelprijswinnaar Samuel Beckett is een relatief ongelezen auteur, afgezien van zijn
“overgeïconiseerd” theaterstuk Wachten op Godot. Misschien omdat zijn boeken
moeilijk te begrijpen zijn. Misschien lijkt zijn schrijfstijl ontoegankelijk, spreekt hij gewoon niet
aan? Anderen noemen het misschien té experimenteel of té melancholisch en cynisch. Maar
het zijn misschien ook verhalen vanuit een leegte. Misschien…

Beckett wordt meegesleurd door het ‘dwalende woord’. Niet omdat zijn woorden beroofd
zijn van betekenis, maar beroofd van een centrum: het is een spreken dat niet begint en niet
eindigt. Het ultimum hiervan is misschien zijn roman Naamloos. Op een bepaald moment staat er
geen enkel punt meer in de tekst en ratelt de protagonist maar door, bladzijden lang. Het is een
begerig, eisend spreken, een spreken dat ons zal leiden naar de ontdekking dat het, wanneer het niet
spreekt, toch nog spreekt. Het is een auteur die niet schrijft om het eervolle plezier van een mooi
boek te schrijven, noch omwille van de mooie dwang welke we achtten te beschrijven als zijnde
dé inspiratie. Beckett schrijft niet om belangrijke dingen te zeggen of omdat het zijn taak
zou zijn of omdat hij hoopt al schrijvende te kunnen toetreden tot het onbekende. Waarom dan wel?

Zijn spreken is doorweekt van een malaise. Beckett wil wonen in zijn woorden, hij tracht een plek
te creëren in de ruimte die zich tussen de woorden ontplooit, een ruimte waar hij toegang krijgt
tot het ‘zijn’. Hij tracht zichzelf te maken doorheen zijn schrijven. Maar hij botst
herhaaldelijk op een leegte: de lege kamer waarvan meermaals sprake is in zijn werk of het blanco
blad voor hij begint te schrijven. Hij tracht deze lege kamer te bemeubelen, te behangen met
woorden. Maar ze blijft schreeuwen doorheen deze woorden. Alsof de woorden als oud behang slecht
kleven aan de muur. De verteller in zijn werk spreekt steeds over zichzelf door zichzelf te
vermijden. Becketts schrijven lijkt als een kamer die hij tracht te bewonen. Telkens opnieuw duikt
het woord schuilplaats op in zijn werk. Geen van zijn personages bereikt die ooit. Becketts
schrijven verwordt zo tot een wachtkamer, de wachtkamer van het ‘ik’: “Ik zal mijzelf
nooit te pakken krijgen,” schrijft hij.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in